OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1936 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft verweerder in september 2014 verzocht om een periodieke uitkering op grond van de AOR. Bij beschikking van 3 december 2014 is een periodieke uitkering op grond van de AOR toegekend ter hoogte van € 609,87.
Bij besluit van 10 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit, heeft verweerder appellant te kennen gegeven dat de uitkering niet tot betaling komt vanwege de hoogte van de daarmee te verrekenen inkomsten van appellant. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de korting op de AOR-uitkering in verband met het AOW-pensioen, gelet op de artikelen 6 en 7 van het Besluit Commissie AOR van 16 september 2002 terecht is berekend aan de hand van het bedrag aan AOW waarop appellant en zijn echtgenote aanspraak hebben. Dit bedrag is hoger dan de toegekende AOR-uitkering.
Namens appellant is aangevoerd dat bij de uitvoering van de AOR ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen gehuwde mannen en gehuwde vrouwen. Bij het berekenen van de inkomsten wordt bij de gehuwde man de AOW-gehuwdennorm toegepast, terwijl voor de gehuwde vrouw de AOW-alleenstaandennorm geldt.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2805), vloeit voort dat pas sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger) beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
Zoals ter zitting ook is besproken leidt het berekenen van de ontvangen inkomsten met toepassing van de alleenstaandennorm evenmin tot uitbetaling van de AOR-uitkering. De gevoerde procedure kan voor appellant dan ook niet leiden tot een gunstigere uitkomst. Dat niet is uit te sluiten dat in de toekomst sprake is van enig belang, zoals door appellant is bepleit, vormt in het kader van de voorliggende procedure een onvoldoende actueel belang en kan niet leiden tot een ander oordeel.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2017.
(getekend) M.T. Boerlage
(getekend) C. Moustaïne