OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam bij de [werkgever] in de functie van [naam functie a].
Met een daartoe door haar op 23 oktober 2015 ingediend P-Directformulier Beëindigen dienstverband, heeft appellante de staatssecretaris verzocht haar per 1 februari 2016 eervol ontslag te verlenen. Op dit formulier heeft appellante als reden voor het ontslag aangegeven: pensioen. De vraag of er bijzonderheden zijn heeft zij met ‘nee’ beantwoord.
Bij besluit van 28 oktober 2015, uitgereikt op 2 november 2015, heeft de staatssecretaris met toepassing van artikel 94 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement het gevraagde ontslag verleend.
Vanaf 24 november 2015 zijn op het intranet van de [werkgever] berichten geplaatst waarin medewerkers worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot in te voeren stimuleringsmaatregelen in het kader van het Van Werk Naar Werk (VWNW)-beleid.
Op 8 december 2015 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit van
28 oktober 2015. Daarbij heeft zij naar voren gebracht dat een nadere beschouwing van haar financiële situatie haar heeft doen besluiten het voorgenomen ontslag vooralsnog uit te stellen en dat zij het per 1 februari 2016 verleende ontslag wil intrekken.
Bij besluit van 13 april 2016 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het ontslagbesluit van 28 oktober 2015 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met de rechtbank en anders dan appellante heeft aangevoerd is de Raad van oordeel dat appellante kon worden gehouden aan haar ontslagverzoek.
De staatssecretaris heeft op grond van de hem ter beschikking staande gegevens terecht aan appellante, in overeenstemming met haar verzoek, bij besluit van 28 oktober 2015 ontslag verleend per 1 februari 2016. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 9 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4798) volgt dat de staatssecretaris niet gehouden was om vanwege eisen van goed werkgeverschap appellante ten tijde van haar verzoek te wijzen op een mogelijke, in de toekomst in te voeren maatregel in het kader van VWNW-beleid dan wel haar te adviseren haar verzoek aan te houden.
Anders dan appellante heeft betoogd, is de staatssecretaris niet gehouden om medewerkers als appellante in de gelegenheid te stellen een reeds ingewilligd ontslagverzoek aan te passen teneinde in aanmerking te komen voor een stimuleringspremie. De Raad verwijst in dit verband op zijn uitspraken van 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3453, en op zijn eerdergenoemde uitspraak van 9 augustus 2012. Daarbij is van belang dat ten tijde van het besluit van 28 oktober 2015 zowel de inhoud als de datum waarop het VWNW-beleid van kracht zou worden nog onderwerp van bespreking waren tussen de staatssecretaris en de vakbonden, daarover nog geen duidelijkheid bestond en appellante dus geen aanspraak kon maken op dit beleid.
Het - ter zitting van de Raad herhaalde - beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. De Raad is met de rechtbank en de staatssecretaris van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk behandeld zijn. De staatssecretaris heeft gemotiveerd uiteengezet dat met collega M op grond van persoonlijke omstandigheden individuele maatwerkafspraken, onder meer met betrekking tot de ontslagdatum, zijn gemaakt die niet zijn gebaseerd op het VWNW-beleid.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en
H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2017.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) W.A.M. Ebbinge