ECLI:NL:CRVB:2017:2306

ECLI:NL:CRVB:2017:2306, Centrale Raad van Beroep, 30-06-2017, 15/5529 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 30-06-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/5529 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering. Het Uwv heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2016:5086) een rapport ingediend van een verzekeringsarts. Voldoende medische grondslag. Geen twijfel aan de medische geschiktheid van appellant voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hieraan voegt hij het volgende toe.

2. In de tussenuitspraak is overwogen dat het besluit van 6 februari 2015 (bestreden besluit) onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke medische grondslag wat betreft de door appellant geclaimde – maar niet door verzekeringsarts bezwaar en beroep onderkende – vermoeidheidsklachten, waarvoor volgens appellant een urenbeperking aangenomen had moeten worden. Het Uwv is opdracht gegeven dit gebrek te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 februari 2017 ingezonden. In dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat geen aanleiding bestaat om een verdergaande urenbeperking toe te passen.

Appellant heeft te kennen gegeven dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de combinatie van zijn verschillende aandoeningen, die alle vermoeidheidsklachten tot gevolg heeft. Appellant kon geen duurzame arbeidsprestaties verrichten gedurende een achturige werkweek. Daarom had wel een urenbeperking moeten worden aangenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Anders dan appellant meent, heeft het Uwv met de aanvullende motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het overgelegde rapport, het gebrek in het bestreden besluit hersteld.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 7 februari 2017 gemotiveerd te kennen gegeven dat op grond van de medische feiten, het dagverhaal en met inachtneming van de vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 juni 2014, geen argumenten aanwezig zijn om een verdergaande urenbeperking toe te passen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit rapport weergegeven dat bij het dagverhaal in het rapport van de verzekeringsarts van 5 juni 2014 inderdaad staat dat appellant zich de hele dag door vermoeid voelt. Echter appellant is van 07:00 uur tot 23:00 uur bezig. Hij vermijdt daarbij fysiek belastende houdingen en zware inspanning. Hiermee is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid. Er is immers vastgesteld dat appellant zich niet fysiek zwaar kan inspannen met onder meer beperkingen in duwen, trekken, tillen en dragen en zware lasten hanteren. Als appellant zich dus niet fysiek te zwaar inspant, blijkt hij in staat om meer dan acht uur per dag actief te zijn. Niet is gebleken dat appellant bijvoorbeeld uren moet rusten in de middag. Mocht hij dit wel doen, bestaat hier geen medische noodzaak toe. Het spelen met zijn dochter van twaalf jaar oud is mogelijk fysiek inspannend. Als dit niet het geval is, zijn er geen medische redenen waarom hij dit niet langer zou kunnen volhouden. De ziekte van Crohn is medisch gezien al jaren in remissie zonder medicatie. Dat betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen actieve ontstekingsactiviteit is, die vaak wel forse vermoeidheidsklachten kan geven.

Uit 4.2 volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door appellant geclaimde vermoeidheidsklachten heeft onderkend, waarmee uiteindelijk van een juiste vaststelling van de feiten is uitgegaan. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat het Uwv ondanks zijn beperkingen en de samenhang van de geobjectiveerde klachten, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in zijn geval geen urenbeperking is aangenomen. Appellant kan hierin niet worden gevolgd. De vermoeidheidsklachten zijn immers kenbaar en uitgebreid gemotiveerd bij de beoordeling betrokken, waarbij geen aanleiding wordt gezien om aan de uitkomst te twijfelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant ook nu geen medische gegevens heeft overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist of onvolledig beeld heeft gehad van de beperkingen – met name als gevolg van de vermoeidheidsklachten – van appellant op de datum in geding,

29 september 2014.

De arbeidskundige gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie ingegeven door het standpunt dat zijn beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Uit 4.3 volgt echter dat moet worden uitgegaan van de juistheid van FML van 5 juni 2014. Dit in aanmerking nemend bestaan geen aanknopingspunten voor twijfel aan de medische geschiktheid van appellant voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 29 september 2014 geen recht had op een WIA-uitkering.

5. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Nu het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een voldoende motivering is voorzien, zullen het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, worden vernietigd. Daarbij wordt tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand worden gelaten.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten aan verleende rechtsbijstand worden in beroep begroot op

€ 990,- en in hoger beroep op € 990,-. De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank, komen tot een bedrag van € 16,30 voor vergoeding in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 6 februari 2015;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.996,30;

bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) P. Boer

IJ

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?