OVERWEGINGEN
1. Bij betaalspecificatie van zijn militair pensioen over de maand januari 2016 is appellant er onder meer over geïnformeerd dat dit pensioen per 1 januari 2016 niet wordt verhoogd, omdat de financiële positie van het ABP niet voldoende is om de pensioenen te kunnen indexeren. Appellant heeft tegen deze mededeling bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 februari 2016 is aan appellant meegedeeld dat zijn bezwaar niet in behandeling wordt genomen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het tegen de brief van 18 februari 2016 gerichte beroep kennis te nemen.
3. Appellant stelt dat de Stichting Pensioenfonds ABP in deze zaak is te beschouwen als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit maakt dat de onder 1 weergegeven berichten besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb en dat de bestuursrechter bevoegd is om hiervan kennis te nemen. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3394.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, onder meer in de uitspraken van 5 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1670) en van 21 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:257), komt aan de Stichting Pensioenfonds ABP in kwesties als deze geen openbaar gezag toe als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder b, van de Awb. Dit betekent dat de betaalspecificatie van januari 2016 noch de reactie van 18 februari 2016 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Een en ander wordt niet anders door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 september 2014, waarin de Afdeling haar rechtspraak betreffende artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, heeft verduidelijkt.
Dit betekent dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard om van het beroep van appellant kennis te nemen. De aangevallen uitspraak komt dus voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2017.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) J. Smolders