OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 26 mei 2014 is aan appellant met ingang van 19 maart 2014 bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 5 september 2014 heeft hij een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van de gemeentelijke belastingen over 2014.
Bij besluit van 9 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 januari 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat de gevraagde kosten niet zijn aan te merken als kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Gemeentelijke belastingen behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke geacht worden te kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm. Ook als men niet in aanmerking kan komen voor kwijtschelding, is dit geen aanleiding om ter compensatie bijzondere bijstand te verlenen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij
artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat zijn aanvraag erop was gericht bijstand te verkrijgen voor de op dat moment nog uitstaande termijnbetalingen van de aanslag gemeentelijke belastingen over 2014. De aanslag over 2014 bedroeg € 583,-, welk bedrag appellant in tien termijnen diende te voldoen. Ten tijde van de aanvraag had hij daarvan tot en met augustus 2014 zesmaal het termijnbedrag betaald.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, omdat hij op het moment dat hij de aanslag gemeentelijke belastingen ontving geen kwijtschelding daarvan kon aanvragen vanwege een teveel aan vermogen. Toen hij weer recht had op bijstand vanaf 19 maart 2014 was het te laat om kwijtschelding te kunnen vragen.
Gemeentelijke belastingen behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor iedere inwoner van een gemeente zich jaarlijks ziet gesteld. Deze kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit een inkomen op bijstandsniveau, hetzij door reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf. Daarvoor kan bij een objectieve noodzaak alleen bijzondere bijstand worden verleend als sprake is van bijzondere omstandigheden en de kosten niet uit het inkomen en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Dat, zoals appellant heeft aangevoerd, voor appellant geen mogelijkheid bestond om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen te verkrijgen, brengt, wat daarvan ook zij, op zichzelf niet mee dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Overigens is niet gebleken dat appellant, nadat hij de termijnen tot en met augustus had voldaan, de ten tijde van de aanvraag nog resterende termijnbetalingen niet uit zijn bijstand kon voldoen.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand op goede gronden heeft afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en Y.J. Klik en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2017.
(getekend) A. Stehouwer
(getekend) C.A.E. Bon