OVERWEGINGEN
Appellant is sinds 1994 werkzaam bij - thans - de Nationale Politie. Vanaf de aanvang van zijn aanstelling is hij woonachtig op een adres te [woonplaats] en werkzaam op een adres
te ’[plaatsnaam]. Appellant ontvangt op grond van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie (Brvvp) een vaste tegemoetkoming in de kosten voor het gedurende vier dagen per week reizen tussen zijn woning en de plaats van tewerkstelling.
In 2008 is tussen het woonadres van appellant en de plaats van tewerkstelling een nieuwe weg aangelegd waardoor de snelste route op de heen- en terugreis verschillend is: de snelste route van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling bedraagt 17 kilometer (km) en de snelste route van de plaats van tewerkstelling naar het woonadres bedraagt 23 km.
Op 22 juni 2015 heeft appellant verzocht de tegemoetkoming in de dagelijkse reiskosten, met terugwerkende kracht, aan te passen, omdat de bij de berekening gebruikte reisafstand volgens hem onjuist is. De reisafstand dient volgens appellant te worden berekend door de afstand van de woning tot de plaats van tewerkstelling (17 km) op te tellen bij de afstand van de plaats van tewerkstelling tot de woning (23 km). De totale reisafstand per dag bedraagt
dan 40 km.
Bij besluit van 26 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 oktober 2015 (bestreden besluit), is dit verzoek afgewezen. De reisafstand wordt met behulp van de routeplanner ‘Andes’ berekend door de afstand van (postcode en bestemmingsnummer van) het woonadres naar (postcode en bestemmingsnummer van) de plaats van tewerkstelling rekenkundig af te ronden op hele kilometers en dit maal twee te doen. In het geval van appellant gaat het om tweemaal 17 kilometer, derhalve 34 kilometer. Ten aanzien van het verzoek om aanpassing van de reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht, heeft de korpschef in het bestreden besluit aan de gehandhaafde afwijzing ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef het verzoek om met terugwerkende kracht de reiskostenvergoeding aan te passen heeft kunnen afwijzen, omdat geen sprake is van een nieuw feit. Appellant had nadat de nieuwe weg gereed was en in de berekening van de routeplanner was opgenomen, dit feit bij de eerstvolgende salarisspecificatie kunnen aanvoeren. Het verzoek om de vergoeding voor de toekomst te herzien heeft de korpschef terecht afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de wijze waarop de vaststelling van de reisafstanden nadere invulling heeft gekregen in de Uitvoeringsinstructie Brvvp
- verdubbeling van de met toepassing van de routeplanner berekende (snelste) reisafstand tussen woning en plaats van tewerkstelling - niet in tegenspraak is met de bepalingen in het Brvvp. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, waarbij appellant heeft verwezen naar de wijze van berekening van reiskosten door de Eenheid Rotterdam, heeft de rechtbank verworpen.
3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.
Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft - ook - de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6 van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
Wat de vóór de aanvraag van 22 juni 2015 gelegen periode betreft, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant bij zijn aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De Raad kan zich vinden in de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd en maakt deze tot de zijne. Daaraan voegt de Raad nog toe dat in wat appellant heeft aangevoerd evenmin aanleiding wordt gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is.
Omdat het verzoek betrekking heeft op een zogenoemde duuraanspraak, heeft de korpschef terecht bezien of er aanleiding was om appellant over de periode na het verzoek van 22 juni 2015 een hogere tegemoetkoming in de reiskosten toe te kennen.
In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Brvvp is bepaald dat de ambtenaar aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling. In de Nota van Toelichting bij artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Brvvp (Staatsblad 2008, 234) is - voor zover hier van belang - vermeld dat de afstand die voor een tegemoetkoming in aanmerking komt, de afstand is die per dienst eenmalig moet worden afgelegd om op de plaats van tewerkstelling te komen en om weer bij de woning te komen. Hieruit volgt dat de tegemoetkoming ziet op zowel de heen- als de terugreis.
In artikel 36, eerste lid, van het Brvvp is bepaald dat voor het vaststellen van alle reisafstanden in dit besluit gebruik wordt gemaakt van een door Onze Minister aangewezen routeplanner. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, geldt dat bij het gebruik van de routeplanner de afstand wordt gemeten met behulp van postcodes en bestemmingsnummers van het begin- en eindpunt van één van de trajecten als bedoeld in dit besluit.
Uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang bezien met artikel 36, tweede lid, aanhef en onder b van het Brvvp leidt de Raad af dat bij de berekening van de tegemoetkoming in de reiskosten als hier aan de orde de afstand van twee trajecten dient te worden betrokken: het traject tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling en het traject tussen de plaats van tewerkstelling en de woonplaats. Dit brengt met zich mee dat de door de korpschef voorgestane wijze van berekenen van de reisafstand in een geval als het onderhavige, waarin de afstanden van de beide trajecten verschillend zijn, in strijd is met het Brvvp. Toepassing van de Uitvoeringsinstructie Brvvp, waarin deze berekeningswijze is neergelegd, mag er niet toe leiden dat ten nadele van appellant wordt afgeweken van de algemeen verbindende voorschriften van het Brvvp. De berekeningswijze uit de Uitvoeringsinstructie Brvvp dient daarom in dit geval buiten toepassing te worden gelaten.
Uit 3.4 tot en met 3.6 volgt dat het hoger beroep slaagt. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel en de hardheidsclausule kan om die reden buiten bespreking blijven. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek van appellant over de periode na 22 juni 2015 is gehandhaafd. Het is aan de korpschef om de tegemoetkoming alsnog op de juiste wijze vast te stellen. De Raad zal daarom de korpschef opdragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen.
De Raad zal verder met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat een - onverhoopt - beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar uitsluitend bij de Raad kan worden ingesteld.
4. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 742,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.732,50.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 oktober 2015 voor zover
daarbij de afwijzing van het verzoek van appellant over de periode na 22 juni 2015 is
gehandhaafd;
- bepaalt dat de korpschef in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat tegen de door de korpschef te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de
Raad beroep kan worden ingesteld;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.732,50;
- bepaalt dat de korpschef het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 418,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en E.J.M. Heijs en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2017.
(getekend) K.J. Kraan
(getekend) J. Smolders