OVERWEGINGEN
1. Het college heeft in reactie op het voornemen tot rectificatie de Raad verzocht te beslissen dat in plaats van een bedrag van € 123,- een bedrag van € 246,- aan appellant wordt vergoed als in hoger beroep betaalde griffierechten, en niet, zoals door appellant is verzocht, een bedrag van € 247,-.
2. De Raad stelt vast dat in de beslissing van de uitspraak van 26 september 2017 ten onrechte is bepaald dat het college aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 123,- vergoedt. De beslissing had moeten luiden dat het college aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 123,- en het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 124,-, in totaal € 247,- vergoedt. Hierbij verwijst de Raad naar de griffierechtbedragen zoals vermeld in artikel 8:109 van de Algemene wet bestuursrecht zoals deze golden ten tijde van het instellen van elk van de hoger beroepen.
3. De Raad zal de beslissing herstellen door de uitspraak van 26 september 2017 te rectificeren in overeenstemming met wat onder 2 is overwogen.
4. Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht. De gerectificeerde uitspraak zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl en de oorspronkelijke uitspraak zal daaruit worden verwijderd.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep rectificeert zijn uitspraak van 26 september 2017,
15/6673 WWB en 16/3390 WWB, als volgt:
- de griffierechtbepaling in de beslissing wordt gewijzigd in:
“- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 247,- vergoedt.”
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en G.M.G. Hink en
J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2017.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) J.M.M. van Dalen