OVERWEGINGEN
Het Uwv heeft bij besluit van 9 februari 2010 vastgesteld dat voor appellante vanaf 12 april 2010 tot 12 april 2012 een recht is ontstaan op loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Bij besluit van 20 januari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 12 april 2012 in aanmerking komt voor een WGA‑loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Tegen deze besluiten heeft appellante geen bezwaar gemaakt zodat die besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden.
Naar aanleiding van een verzoek van appellante om een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 26 november 2013 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet is gewijzigd.
Bij besluit van 29 april 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Tevens heeft het Uwv beslist dat appellante met ingang van 26 november 2013 recht blijft houden op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Appellante wordt daarbij volledig arbeidsongeschikt geacht, welke arbeidsongeschiktheid echter geen duurzaam karakter heeft. Daarbij is verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
2. De rechtbank heeft het ingestelde beroep tegen bestreden besluit 1 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de door de verzekeringsartsen van het Uwv verrichte onderzoeken voldoende zorgvuldig zijn en dat zij de motivering van die artsen kan volgen. In wat appellante heeft aangevoerd en blijkt uit de overgelegde medische informatie ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. Het Uwv heeft appellante daarom met ingang van 26 november 2013 terecht niet‑duurzaam arbeidsongeschikt geacht.
3. Nadat het onderzoek ter zitting van de Raad op 8 juli 2016 was geschorst heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar van 30 september 2016 (bestreden besluit 2) genomen waarbij is vastgesteld dat appellante met ingang van 26 november 2013 alsnog recht heeft op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA), omdat zij met ingang van die datum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht.
Appellante heeft naar aanleiding van dat besluit bezwaar gemaakt tegen de door het Uwv gehanteerde ingangsdatum van de IVA-uitkering. Appellante stelt zich daarbij op het standpunt dat als ingangsdatum 20 oktober 2011 dient te gelden.
Het Uwv gaat blijkens bestreden besluit 2 op grond van een verzekeringsgeneeskundig rapport uit van de datum 26 november 2013 als ingangsdatum van de IVA-uitkering.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv op 27 juli 2017 wederom een nieuwe beslissing op bezwaar van genomen (bestreden besluit 3) waarbij is vastgesteld dat appellante reeds met ingang van 1 oktober 2013 recht heeft op een IVA-uitkering, omdat zij met ingang van die datum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt geacht.
De bestreden besluiten 2 en 3 worden, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van de bestreden besluiten 2 en 3 moet vastgesteld worden dat het Uwv de bestreden besluiten 1 en 2 niet langer handhaaft. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd, de beroepen tegen bestreden besluit 1 en 2 gegrond moeten worden verklaard en deze besluiten vernietigd moeten worden.
Ten aanzien van bestreden besluit 3 is tussen partijen nog slechts in geschil of het Uwv de ingangsdatum van de IVA-uitkering terecht heeft vastgesteld op 1 oktober 2013 en tot welke bedragen door appellante gemaakte proceskosten door het Uwv vergoed dienen te worden.
Appellante heeft aangevoerd dat zij zich sinds 20 oktober 2011 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt acht, maar dat zij zich wat betreft de vast te stellen ingangsdatum refereert aan het oordeel van de Raad.
Ten aanzien van de ingangsdatum van de aan appellante toegekende IVA-uitkering wordt allereerst vastgesteld dat het Uwv bij de vaststelling van die datum de door appellante in het wijzigingsformulier van 7 oktober 2013 genoemde datum van de verslechtering van haar gezondheidstoestand, namelijk 1 oktober 2013, heeft gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht deze datum, gelet op de beschikbare medische informatie reëel. Namens appellante zijn voorts geen gegevens aangedragen die aanleiding geven een eerder gelegen ingangsdatum van de toename van de medische beperkingen aannemelijk te achten. Het standpunt van het Uwv over de ingangsdatum van de IVA-uitkering wordt daarom onderschreven. Dit betekent dat het beroep gericht tegen bestreden besluit 3 ongegrond moet worden verklaard.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is er aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. De proceskosten van beroep worden bepaald op € 1.237,50 in verband met de indiening van een beroepschrift, het bijwonen van de zitting en een nadere reactie (2.5 punten). De kosten van het hoger beroep worden vastgesteld op € 1.485,- in verband met de indiening van het hoger beroepschrift, het bijwonen van de zitting en een tweetal reacties (3 punten). De kosten verbonden aan de inschakeling van een deskundige stelt de Raad overeenkomstig het Besluit tarieven strafzaken vast op € 696,54 (zijnde naar boven afgerond zes uur maal de forfaitaire kosten als bedoeld in het Besluit tarieven strafrecht ad € 116,09 per uur). Voorts komen de blijkens de overgelegde facturen in verband met ingewonnen informatie bij de behandelend sector gemaakte kosten ter hoogte van € 147,74 voor vergoeding in aanmerking.
Het Besluit proceskosten bestuursrecht bevat een limitatieve opsomming van proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegewezen. In vergoeding van de in verband met een afgegeven toevoeging te betalen eigen bijdrage is daarbij niet voorzien. De door appellante op dit punt gevorderde kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2017.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) H. Achtot