OVERWEGINGEN
Appellant is per 1 oktober 1985 aangesteld als burgerambtenaar bij het ministerie van Defensie. Hij is werkzaam als [functie ] (salarisschaal 6) bij het [Dienstonderdeel] . Deze werkzaamheden worden verricht binnen de [eenheid] van het [centrum] en zijn ondergebracht binnen het [afdeling] .
Bij besluit van 6 juni 2016 heeft de commandant geweigerd om aan appellant een bindingspremie toe te kennen, omdat hij niet aan de desbetreffende voorwaarden voldoet. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 27 juli 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Verder zijn beslissingen gegeven over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Daarbij is overwogen dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen en dat het daarom moet worden vernietigd. Verder is overwogen dat bij brief van 17 januari 2017 namens de Minister van Defensie is verklaard dat hij de inhoud van het besluit voor zijn rekening neemt. Daarom heeft de rechtbank beoordeeld of de rechtsgevolgen ervan in stand kunnen worden gelaten. Op grond van de toepasselijke Nota uitvoeringspraktijk tijdelijke financiële maatregelen tot behoud van ervaren technisch personeel [Dienstonderdeel] van 27 februari 2014 (nota) is één van de voorwaarden voor toekenning van een bindingspremie dat de kennis en ervaring van de medewerker cruciaal zijn voor de bedrijfsvoering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. Verder heeft de rechtbank het beroep van appellant op het rechtszekerheidsbeginsel verworpen. In 2015 is aan appellant een bindingspremie toegekend. Daarbij had de nota toegepast moeten worden, maar dat is niet gebeurd. In 2016 is de nota wel strikt toegepast. Het rechtszekerheidsbeginsel strekt niet zo ver dat een eenmaal gemaakte fout moet worden herhaald.
Het hoger beroep van appellant is beperkt tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Appellant heeft betoogd dat over 2016 een bindingspremie aan hem moet worden toegekend.
De commandant heeft zijn standpunt gehandhaafd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ambtshalve wordt vastgesteld dat op grond van artikel 47 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie de bevoegdheid tot het nemen van besluiten als het besluit van 6 juni 2016 en het bestreden besluit toekwam aan de commandant. Bij de door de rechtbank aangehaalde brief van 17 januari 2017 is het bestreden besluit ook, anders dan de rechtbank heeft overwogen, namens de commandant voor zijn rekening genomen. De rechtbank heeft dus ten onrechte de Minister van Defensie als partij aangemerkt. De Raad heeft deze fout hersteld.
Bij de uitoefening van de in artikel 47 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie neergelegde bevoegdheid om aan een burgerambtenaar een bindingspremie toe te kennen, komt aan de commandant een grote mate van beleidsvrijheid toe. De rechterlijke toetsing is dienovereenkomstig terughoudend. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van
31 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0239 over een vergelijkbare regeling voor militaire ambtenaren.
Appellant heeft betoogd dat de nota in 2015 op juiste wijze is toegepast en dat hij vanuit het oogpunt van rechtszekerheid over 2016 eveneens in aanmerking dient te komen voor een bindingspremie. De Raad volgt appellant niet in dit betoog. De commandant heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de nota in 2015 niet op juiste wijze is toegepast, als gevolg waarvan aan appellant in 2015 ten onrechte een bindingspremie is toegekend. Vanaf 2016 wordt de nota strikt toegepast, wat ertoe heeft geleid dat appellant in 2016 niet in aanmerking is gekomen voor een bindingspremie. Met de commandant is de Raad van oordeel dat een foutieve toekenning over 2015 er niet toe leidt dat de commandant gehouden is deze fout te herhalen. Vaststaat dat de bindingspremie altijd voor een periode van één jaar wordt toegekend. Een toekenning in een jaar leidt niet automatisch tot een toekenning in het volgende jaar. De commandant heeft verder uiteengezet dat het erom gaat of er noodzaak bestaat om iemand te binden, waarbij met uiteenlopende factoren rekening wordt gehouden. Hij wijst erop dat appellant, hoewel hij beschikt over zeer ruime kennis en ervaring, niet unieke kennis en ervaring bezit in die zin dat in geval van vertrek van appellant een groot risico op ernstige verstoring van de bedrijfsvoering ontstaat. In dit kader heeft de commandant ter zitting naar voren gebracht dat directe collega’s van appellant zijn werkzaamheden kunnen overnemen. Appellant heeft dit desgevraagd bevestigd, waarbij hij heeft gesteld dat dit ook geldt ten aanzien van collega’s aan wie wel een bindingspremie is toegekend in 2016. De commandant heeft gewezen op het individuele karakter van het instrument bindingspremie waarbij per medewerker binnen de schaarste categorie wordt bezien in hoeverre diegene daarvoor in aanmerking komt. Dat, zoals appellant naar voren heeft gebracht, aan zijn collega [A.] wel een bindingspremie is toegekend, maakt vorenstaande niet anders, temeer omdat onweersproken is dat [A.] een functie heeft met een hogere functieschaal en andere taken en verantwoordelijkheden dan appellant.
Gelet op wat is overwogen in 4.3 is de Raad van oordeel dat de commandant in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om appellant in 2016 geen bindingspremie toe te kennen.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2017.
(getekend) K.J. Kraan
(getekend) J.R. Trox