Datum uitspraak: 5 december 2017
16/8038 WWB-V, 16/8040 WWB-V, 16/8041 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 september 2016, 15/8082, 16/5126, 16/5120
Partijen:
mr. drs. [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het Drechtstedenbestuur
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, in verbinding met
artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 18 juli 2017 heeft de Raad het door verzoeker ingediende verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 september 2016, 15/8082, 16/5126, 16/5120 niet ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 18 juli 2017 heeft verzoeker verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 oktober 2017, waar partijen - het Drechtstedenbestuur met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 18 juli 2017 berust op de overwegingen dat het voor het instellen van het verzoek om herziening verschuldigde griffierecht niet is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft verzoeker onder meer aangevoerd dat sprake is van betalingsonmacht. Verzoeker wijst er op dat door verschillende rechterlijke instanties, waaronder de Hoge Raad als hoogste rechterlijke instantie, op verschillende momenten op grond van dezelfde informatie en bewijsstukken, vrijstelling van betaling van griffierecht is verleend.
In verzet zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest. Verzoeker heeft pas in verzet, en dus niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan, een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Ter voorlichting van verzoeker overweegt de Raad, ten overvloede, dat de stelling van verzoeker dat hij eerder door een gerecht op enig moment is vrijgesteld van betaling van griffierecht, niet weg neemt dat hij bij een heffing van griffierecht op een ander moment opnieuw om vrijstelling dient te vragen en desgevraagd de nodige recente informatie dient te verschaffen. Het gerecht waaraan om vrijstelling van het griffierecht wordt gevraagd zal op basis van de door de verzoeker over te leggen informatie - zie daarvoor onder meer ECLI:NL:CRVB:2015:282 - hebben te beoordelen of vrijstelling van het griffierecht kan worden verleend.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2017.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers