OVERWEGINGEN
Appellant was laatstelijk werkzaam als administratief medewerker. Op 29 november 2010 is hij uitgevallen voor zijn werk vanwege vermoeidheidsklachten en psychische klachten. Na onderzoek heeft de verzekeringsarts bij appellant de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) vastgesteld, enkele beperkingen aangenomen ten aanzien van de mentale en fysieke belastbaarheid en deze beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige passende functies voor appellant geselecteerd en aan de hand van de mediane loonwaarde van deze functies een mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld van 2,4%.
Bij besluit van 20 september 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 26 november 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van
11 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Als gevolg van het CVS is hij niet gedurende een volledige werkdag en werkweek inzetbaar. Hij wordt hierin ondersteund door zijn behandelend cardioloog dr. F.C. Visser. Daarnaast heeft appellant met het CVS samenhangende cognitieve beperkingen. Ter onderbouwing wijst appellant op het neuropsychologisch onderzoek van Vollema van
18 februari 2014 en het commentaar daarop van cardioloog Visser van 28 november 2014. Als gevolg van de energetische en cognitieve beperkingen is appellant niet in staat de geselecteerde functies te verrichten.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Naar aanleiding van het onderzoek van Mutsaers heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 22 september 2016 een beperking in de FML toegevoegd op het aspect samenwerken, maar dit leidt blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 30 september 2016 niet tot een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling
In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 26 november 2012.
De door de Raad ingeschakelde deskundige internist Abraham-Inpijn heeft in haar rapport van 7 juli 2015 overwogen dat de diagnose CVS/ME per exclusionem wordt gesteld. Gezien het beloop van de klachten van appellant, waarbij zich geen organisch lijden heeft geopenbaard, is er een hoge waarschijnlijkheid dat sprake is van een – onbehandeld – CVS/ME syndroom. In de loop van de jaren is ‘pathofysiologisch verval’ opgetreden door het verminderd stellen van eisen aan het lichaam en mogelijk andere factoren die niet behoren tot de deskundigheid van een internist. Nu het overschrijden van de belastbaarheid een terugval veroorzaakt in de klachten behorend bij CVS/ME is een urenbeperking tot vier uur per dag en 20 uur per week op zijn plaats. De deskundige acht een nader onderzoek door een psycholoog of psychiater met belangstelling voor het CVS/ME-syndroom nodig. Zij geeft daartoe aan dat de vraag in hoeverre de psychische gesteldheid van appellant in het verleden en heden een rol speelt bij de ontwikkeling, het verloop en de belastbaarheid van appellant, buiten de competentie van een internist ligt.
De door de Raad ingeschakelde deskundige psychiater Mutsaers heeft in zijn rapport van 17 juni 2016 op grond van appellants verslag van het beloop van zijn klachten geconcludeerd dat vooral angst- en paniekverschijnselen met vermijdingsverschijnselen centraal staan. De centrale gedachte in appellants redenering is dat hij een lichamelijke aandoening heeft die verantwoordelijk is voor zijn inactiviteit. Men kan een dergelijke redenering echter ook in het licht zien van appellants sterke neiging om de confrontatie met zijn angstproblemen uit de weg te gaan. Er is geen sprake van aggravatie of simulatie van klachten. Voor zover men appellants klachten (presentatie) onder zou willen brengen onder de noemer somatoforme stoornis heeft het ‘somatoforme verhaal’ het karakter van vermijdingsgedrag. De deskundige heeft als diagnose gesteld een paniekstoornis met agorafobie en persoonlijkheidsproblemen met vermijdende kenmerken. Appellant is hierdoor aangewezen op een voorspelbare werksituatie, werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en is voor wat betreft het samenwerken aangewezen op een eigen, van te voren afgebakende deeltaak. Voor verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking, heeft de deskundige geen aanleiding gezien.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. In dit geval is sprake van rapporten van twee deskundigen die ieder op hun vakgebied onderzoek hebben gedaan en conclusies hebben getrokken over de bij appellant te stellen diagnose en de aan te nemen beperkingen. Deze conclusies verschillen van elkaar, zowel wat betreft de diagnose als de beperkingen. Beide rapporten geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. De conclusies van beide deskundigen berusten op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek en zijn overtuigend gemotiveerd op grond van het uitgevoerde onderzoek en kennisneming van de over appellant beschikbare medische informatie. De Raad kent echter doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van Mutsaers. Daartoe is van belang dat Abraham-Inpijn de diagnose CVS/ME stelt op basis van waarschijnlijkheid en nader onderzoek door een psycholoog of psychiater nodig heeft geacht. Mutsaers heeft dat onderzoek verricht en heeft overtuigend gemotiveerd dat de klachten van appellant voortkomen uit een angststoornis bij een persoonlijkheid met vermijdende kenmerken. Ook de daaruit voortvloeiende beperkingen heeft hij, nog nader toegelicht in zijn brief van 22 augustus 2016, overtuigend gemotiveerd. Er is geen aanleiding om, zoals appellant van mening is, de rapporten van beide specialisten als naast elkaar te accepteren deskundigenoordelen te zien, waarbij op grond van het rapport van
Abraham-Inpijn een urenbeperking moet worden aangenomen en op grond van het rapport van Mutsaers beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Daartoe is van belang dat Abraham-Inpijn duidelijk aangeeft dat bij het verloop van de klachten van appellant, door haar aangeduid als ‘pathofysiologisch verval’, mogelijk factoren een rol spelen die niet tot de deskundigheid van de internist behoren. Mutsaers heeft geconcludeerd dat psychische factoren centraal staan bij de door appellant ervaren lichamelijke klachten en heeft daarmee een andere verklaring gegeven, die in de plaats treedt van de – per exclusionem – gestelde diagnose van Abraham-Inpijn.
Ook de conclusie van Mutsaers dat bij appellant geen sprake is van cognitieve stoornissen wordt gevolgd. Hij heeft overtuigend gemotiveerd dat de door Vollema in een test gesignaleerde problemen om visuele stimuli in zich op te nemen, niet in verband staan met de vermoeidheid van appellant. Bovendien is noch tijdens het onderzoek door Mutsaers, noch tijdens de spreekuren van de verzekeringsarts en tijdens de hoorzitting gebleken van problemen met aandacht en concentratie of andere cognitieve beperkingen.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit moet worden onderschreven.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 22 september 2016 wordt met de belasting in de geselecteerde voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellant niet overschreden. Appellant is daarom terecht niet in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering.
Nu de FML in hoger beroep is aangescherpt, berustte het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht het bestreden besluit in stand te laten, nu aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.
Appellant heeft voorts verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 23 oktober 2012 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn ruim vijf jaar verstreken. Noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellant geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim een jaar overschreden. De behandeling door de rechtbank heeft minder dan anderhalf jaar geduurd. De behandeling bij de Raad heeft meer dan twee jaar geduurd. Hieruit volgt dat de gehele overschrijding van de redelijke termijn aan de Staat is toe te rekenen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van € 1.500,-.
6. Gelet op het motiveringsgebrek in het bestreden besluit bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.237,50 in beroep (beroepschrift, zitting, nadere zitting) en € 1.732,50 in hoger beroep (beroepschrift, zitting, twee reacties op deskundigenrapport, nadere zitting), in totaal € 2.970,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en E. Dijt en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) R.H. Budde