ECLI:NL:CRVB:2017:4487

ECLI:NL:CRVB:2017:4487, Centrale Raad van Beroep, 22-12-2017, 16/834 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 22-12-2017
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/834 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2015:8157
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0019057

Samenvatting

WIA-uitkering terecht geweigerd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Beperkingen niet onderschat. Geen objectieve oorzaak is voor de vermoeidheids- en pijnklachten van appellante. Met deze klachten kan dan ook (verder) geen rekening worden gehouden.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1. Appellante is voor 8 tot 10 uur per week werkzaam geweest als postbezorger. Op 10 januari 2013 is zij wegens diverse klachten (algehele malaise, spier-, gewrichts- en buikklachten) voor dit werk uitgevallen.

Bij besluit van 23 december 2014 heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat zij met ingang van 8 januari 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 29 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 april 2015 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 mei 2015, het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante verminderd belastbaar is, maar met inachtneming van de voor haar vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 december 2014 in staat is de voor haar door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies te vervullen. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 0%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was volgens de rechtbank niet gehouden om nadere informatie bij de behandelaars van appellante op te vragen. Verder moet volgens de rechtbank worden aangenomen dat niet te geringe beperkingen zijn vastgesteld. De door appellante in beroep overgelegde informatie geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de voor haar vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft voorts overwogen er voldoende van overtuigd te zijn dat de belastbaarheid van appellante als neergelegd in de FML van 5 december 2014 in de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet wordt overschreden.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit berust op onzorgvuldig medisch onderzoek, omdat de brief van de mdl-arts van 3 november 2014 niet door de verzekeringsartsen bij het medisch onderzoek is betrokken. Ten onrechte is door het Uwv geen informatie ingewonnen bij reumatoloog dr. I.M.C. Appels die de pijnklachten in verband brengt met fibromyalgie, gerelateerd aan hepatitis C. De verzekeringsartsen hebben slechts deels de door de bedrijfsarts aangenomen beperkingen overgenomen. Zij hadden ook de overige door hem gestelde beperkingen moeten overnemen. Appellante heeft tevens aangevoerd dat niet alle door de verzekeringsarts in zijn rapport genoemde beperkingen zijn terug te vinden in de FML. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij informatie van de huisarts, van de GGZ en van de mdl-arts overgelegd.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In reactie op de door appellante overgelegde medische stukken, heeft het Uwv verwezen naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 maart en 6 juni 2016.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd met onder andere informatie van de GGZ, neuroloog, internist, radioloog, huisarts, fysiotherapeut en mdl-arts. Hij heeft bij appellante het dagverhaal uitgevraagd, haar psychisch onderzocht en overlegd met de bedrijfsarts. Voorts is informatie bij de GGZ opgevraagd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij zijn uitgegaan van de door de behandelend artsen gestelde diagnoses fibromyalgie, hepatitis C en somatoforme pijnstoornis.

De verzekeringsartsen hebben vervolgens inzichtelijk en overtuigend gerapporteerd tot welke beperkingen in de FML dit leidt. In de FML zijn zowel op psychisch als op somatisch gebied beperkingen opgenomen. Ook is er rekening mee gehouden dat appellante aangewezen is op regelmatige werktijden en niet ’s avonds en ’s nachts kan werken. Dat niet alle door de verzekeringsarts in zijn rapport genoemde beperkingen in de FML zijn opgenomen leidt niet tot de conclusie dat de FML niet juist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft immers in zijn rapport van 15 april 2015 gesteld dat er ruim rekening is gehouden met de fysieke en psychische klachten van appellante. Uit de informatie van de behandelaars blijkt evenmin dat op de datum in geding sprake is van meer beperkingen. De mdl-arts meldt immers in zijn brief van 29 april 2014 dat er geen aanwijzingen zijn voor fibrose of cirrose en dat de klachten van appellante niet direct te relateren zijn aan de hepatitis C. De psycholoog schrijft in haar brief van 27 november 2014 dat appellante lijdt aan een somatoforme stoornis. Over de stelling van appellante dat alle door de bedrijfsarts genoemde beperkingen door het Uwv moeten worden overgenomen, kan er niet aan worden voorbijgegaan dat de beoordeling door de bedrijfsarts geschiedt met een ander doel dan een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Bovendien was ook de bedrijfsarts van oordeel dat appellante wel mogelijkheden heeft op de arbeidsmarkt. De door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie leidt niet tot een ander oordeel over de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van

2 maart en 6 juni 2016, waarbij hij ook is ingegaan op de brief van de mdl-arts van

3 november 2014, toegelicht dat er geen objectieve oorzaak is voor de vermoeidheids- en pijnklachten van appellante. Met deze klachten kan dan ook (verder) geen rekening worden gehouden.

De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen.

Het hoger beroep slaagt dus niet.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

KS

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?