OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving sinds 20 november 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
Uit gegevens van Suwinet is gebleken dat appellant vanaf 2 december 2013 inkomsten uit arbeid heeft gehad. Vervolgens is appellant op 23 juni 2014 verzocht loonstroken van
2 december 2013 tot 23 juni 2014 over te leggen. Hieraan heeft appellant geen gevolg gegeven.
Bij besluit van 8 juli 2014 heeft het college de bijstand over de periode van 2 december 2013 tot en met 30 april 2014 ingetrokken en de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 4.402,76 van appellant teruggevorderd.
Hangende de bezwaarprocedure heeft appellant loonstroken van de weken 47 tot en
met 50 van 2013 en bankafschriften over de periode van 1 december 2013 tot en met 31 mei 2014 overgelegd.
Bij besluit van 9 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2014 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij inkomsten uit arbeid niet uit eigen beweging heeft gemeld. Omdat hij geen loonstroken maar alleen bankafschriften heeft overgelegd, heeft appellant niet de benodigde informatie verstrekt om het recht op (aanvullende) bijstand vast te kunnen stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zoals ter zitting met partijen is besproken, is het geschil beperkt tot de intrekking van de bijstand over de maanden januari tot en met april 2014 (te beoordelen periode).
Vaststaat dat appellant niet uit eigen beweging melding heeft gemaakt van de werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene
aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
Anders dan appellant meent, kan het recht op bijstand niet aan de hand van de bankafschriften en de via Suwinet verkregen gegevens worden vastgesteld. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, komt het vaker voor dat gegevens uit Suwinet niet volledig en accuraat zijn. Daarnaast komen de loongegevens uit Suwinet niet helemaal overeen met de bijschrijvingen op de bankafschriften van appellant. Om die reden kon appellant niet volstaan met het enkel overleggen van bankafschriften. Appellant is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om alsnog loon- en arbeidsgegevens over te leggen. Appellant heeft vervolgens weliswaar diverse stukken ingebracht, waaronder loonstroken, maar die zien niet op de hier te beoordelen periode. De omstandigheid dat een van de uitzendbureaus na de hier te beoordelen periode, op 30 december 2014, failliet is verklaard en dat geen jaaropgaves of loonstroken meer kunnen worden verstrekt, moet voor risico van appellant worden gelaten.
Appellant heeft verder aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, omdat hij anders in ernstige financiële problemen komt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952) slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door de terugvordering in ernstige financiële problemen zal komen te verkeren. Daarbij geldt dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Bovendien heeft appellant als schuldenaar de bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2017.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) C.A.E. Bon