OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellanten ontvingen sinds 29 september 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.
In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand is via Suwinet onder meer een bestandsvergelijking gemaakt met de gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW). Daaruit is gebleken dat in de maanden in geding in totaal zes motorvoertuigen (vier bedrijfsauto’s en twee bromfietsen) op naam van appellant stonden geregistreerd en dat deze zijn geëxporteerd. Van deze registraties en transacties hebben appellanten geen melding gemaakt.
Naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van
26 november 2013 (besluit 1) de bijstand van appellanten over maart en april 2008 alsmede over maart en juli 2009 ingetrokken en bij besluit van 29 november 2013 (besluit 2) de gemaakte kosten van bijstand over die maanden tot een bedrag van in totaal € 7.758,72 van hen teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten geen melding hebben gemaakt van de registratie van zes motorvoertuigen op naam van appellant en de export daarvan naar Spanje. Als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting heeft het college het recht op bijstand van appellanten niet kunnen vaststellen over de maanden waarin de export van de motorvoertuigen plaatsvond. Bij afzonderlijke besluiten van 16 juni 2014 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Uit de in het geding gebrachte kentekenregistraties van de RDW blijkt dat, voor zover hier van belang, gedurende betrekkelijk korte tijd zes kentekens van motorvoertuigen op naam van appellant stonden geregistreerd en dat deze motorvoertuigen na beëindiging van de tenaamstelling zijn geëxporteerd. Onder deze omstandigheden is aannemelijk dat met betrekking tot de motorvoertuigen (handels)transacties hebben plaatsgevonden. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) wordt de datum met ingang waarvan de kentekenregistratie is geëindigd als datum gehanteerd waarop de desbetreffende transactie heeft plaatsgevonden. In dat kader wordt aanbieding voor export of sloop van de auto’s op één lijn gesteld met de overdracht aan derden. Voorts wordt ervan uitgegaan dat de betrokkene in verband daarmee inkomsten heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven. Als daarover onvoldoende duidelijkheid wordt verschaft is dat een grond voor intrekking van de bijstand over de maand waarin de transactie heeft plaatsgevonden, omdat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over die maand niet kan worden vastgesteld.
Appellanten hebben aangevoerd dat appellant de voertuigen niet heeft verhandeld. In dat verband hebben zij gesteld dat de aankoop en export van de motorvoertuigen in feite plaatsvond door een in Spanje wonende broer van appellant. Appellant zou zijn broer slechts behulpzaam zijn geweest door bij wijze van broederdienst enige hand- en spandiensten te verrichten bij de aankoop van enige motorvoertuigen en door tijdelijk enkele motorvoertuigen op zijn naam te laten registreren.
Anders dan appellanten menen hadden zij melding moeten maken van de tenaamstellingen en de transacties van bovenvermelde motorvoertuigen, aangezien deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening. Daarbij is niet alleen de mogelijke waarde van de auto’s van belang, maar ook de eventuele werkzaamheden rond de aan- en verkoop van auto’s (zoals bemiddeling bij aankoop, reparaties, rijklaar maken, transport etc.). Door daarvan geen melding te maken is het college de mogelijkheid onthouden om direct een op deze aspecten toegespitst nader onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de bijstand. Aldus hebben appellanten de ingevolge
artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtspraak op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
Appellanten hebben geen controleerbare gegevens over de transacties en export van de motorvoertuigen overgelegd. Zij hebben volstaan met een schriftelijke verklaring van de broer van appellant. Deze verklaring luidt: “Mijn broer Said hielp mij door auto’s te kopen. Want ik heb geen rijbewijs en hij kocht de auto’s en stuurde ze naar mij. Transport vanuit Nederland naar Spanje.” Deze verklaring geeft blijk van een grotere betrokkenheid van appellant bij de transacties dan appellanten, blijkens het gestelde in het hoger beroepschrift, hebben willen doen voorkomen. Ter zitting van de Raad heeft appellante weer enigszins anders verklaard en desgevraagd in het bijzonder niet de nodige duidelijkheid kunnen scheppen rond de wijze van aankoop van de motorvoertuigen, de wijze van transport daarvan naar Spanje en de (wijze van) betaling van de daaraan verbonden kosten. Dit klemt temeer waar het hier naar eigen stelling van appellanten ging om auto’s van zeer geringe waarde.
Het subsidiaire betoog van appellanten dat het college schattenderwijs had moeten vaststellen in hoeverre appellanten nog recht op aanvullende bijstand hadden in de in geding zijnde maanden treft geen doel. Het lag, gelet op het feit dat appellanten hebben verzuimd om het college direct op de hoogte te stellen van de transacties en de daarmee verworven inkomsten, op hun weg om daartoe concrete en verifieerbare gegevens over te leggen. Zij hebben dit nagelaten. Voorts hebben zij daaromtrent tegenstrijdige, althans geen afdoende verklaringen afgelegd. Ten slotte is de enkele verwijzing naar cataloguswaarden van oude auto’s in dit verband ontoereikend. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat bij inkomsten uit verkoop van - ook - oudere auto’s veel variabele factoren een rol spelen, zoals merk en type, bouwjaar, staat van onderhoud en aantal verreden kilometers. Voorts plegen bij oudere (sloop)auto’s veelal nog bruikbare onderdelen te worden gedemonteerd en afzonderlijk te worden verkocht, waarbij het soort en gewicht van de verschillende metalen en de (dag)waarde van belang zijn.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand van appellanten over de maanden maart en april 2008 en over maart en juli 2009 als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen. Het college was dan ook gehouden de ten onrechte verleende bijstand in te trekken en de gemaakte kosten van appellanten terug te vorderen. Met betrekking tot de terugvordering hebben appellanten geen afzonderlijke gronden ingediend, zodat dit onderdeel van de aangevallen uitspraak geen bespreking behoeft.
Uit 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en
Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) J. Smolders