OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam binnen de [eenheid], laatstelijk in de functie van generalist Gebiedsgebonden politie (GGP), salarisschaal 7, met als werkterrein [werkterrein].
Bij brief van 3 mei 2015 heeft appellant gesolliciteerd naar de tijdelijke functie van operationeel expert GGP, locatie Friesland, salarisschaal 9, (geambieerde functie) waarvoor vijf vacatures zijn opengesteld. In de vacaturetekst is vermeld dat de sollicitatieprocedure bestaat uit een briefselectie, gevolgd door een gesprek en mogelijk een assessment.
Door middel van een e-mail van 12 mei 2015, heeft [X.], [districtchef] en tevens voorzitter van de selectiecommissie, appellant te kennen gegeven dat hij op basis van de briefselectie niet wordt uitgenodigd voor een gesprek. Hiervoor is als reden gegeven dat appellant, gezien zijn brief, de selectiecommissie niet heeft kunnen overtuigen dat bij beschikt over de gevraagde competenties en tevens dat de stap om nu in een basisteam de functie van operationeel expert te gaan uitvoeren te groot wordt gevonden.
Bij besluit van 16 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de selectiecommissie door middel van de briefselectie kandidaten heeft beoordeeld op grond van een aantal vooraf vastgestelde selectiecriteria: functie-eisen, motivatie, visie op de functie alsmede de kwaliteit van de brief. De e-mail van 12 mei 2015 kan worden gezien als een voor bezwaar vatbaar besluit, nu er sprake is van een beslissing die gericht is op rechtsgevolgen. Dat in de vacaturetekst niet nader is gespecificeerd aan welke eisen de motivatiebrief dient te voldoen en dat niet is vermeld dat de medewerker de selectiecommissie dient te overtuigen van de gevraagde competenties is vanzelfsprekend en doet aan het besluit van 12 mei 2015 niet af.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld
- blijkens rechtsoverweging 8 van haar uitspraak - dat het beroep alleen gericht is tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen de afwijzing voor de geambieerde functie. Het beroep ziet namelijk ook op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de beslissing om de geambieerde functie toe te wijzen aan twee collega’s. Volgens appellant zijn aan hen niet dezelfde (extra) eisen gesteld en is afgeweken van de procedure door twee personen in deeltijd op de functie te plaatsen. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte niet ambtshalve getoetst of de e-mail van 12 mei 2015 een besluit is. Als deze e-mail geen besluit is, volgt pas uit de toewijzing van de functie aan de twee collega’s dat appellant is afgewezen; appellant is dan dus belanghebbende bij de toewijzende besluiten aan zijn collega’s en zijn bezwaar tegen die besluiten was dan ontvankelijk. Als deze e-mail wel een besluit is, hadden zijn bezwaar en beroep tegen de handhaving van de toewijzende besluiten niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt allereerst vast dat appellant in hoger beroep geen inhoudelijke beroepsgronden heeft ingediend tegen de afwijzing voor de geambieerde functie, maar zich heeft beperkt tot stellingen die de omvang van het geding betreffen.
De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de rechtbank ten onrechte niet (ambtshalve) getoetst heeft of de e-mail van 12 mei 2015 een besluit is. Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt ondubbelzinnig dat de rechtbank deze e-mail als het primaire besluit beschouwd heeft; een oordeel dat de Raad deelt. Zeker nu appellant in bezwaar en beroep ook zelf - zonder daar ook maar enige twijfel over uit te spreken - is uitgegaan van het besluitkarakter van deze e-mail, behoefde de rechtbank daar geen overweging aan te wijden.
Het betoog dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het beroep voor zover dat gericht was tegen de (handhaving van de) toewijzing van de functie aan zijn beide collega’s slaagt. Het beroep had in zoverre gegrond verklaard moeten worden en het desbetreffende bezwaar, waarop de korpschef verzuimd had te beslissen, had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Nu appellant immers zelf ontvankelijk was in zijn bezwaar tegen het primaire besluit van 12 mei 2015 betreffende de afwijzing voor de geambieerde functie, was er geen sprake van een situatie als bedoeld in de rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2824) waarin een besluit tot benoeming van een ander geacht wordt een weigering ten aanzien van de niet-benoemde ambtenaar als zodanig te behelzen, waardoor deze rechtstreeks in zijn belang is getroffen.
Uit wat in 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen, voor zover daarbij niet is beslist op het beroep, respectievelijk het bezwaar betreffende de besluiten ten aanzien van twee collega’s. De Raad ziet aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, het bezwaar in zoverre
niet-ontvankelijk te verklaren.
5. Er is aanleiding de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant, in beroep tot een bedrag van € 1.002,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 501,-, tezamen € 1.503,- wegens verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
niet-ontvankelijk;
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en
J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2018.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) J.M.M. van Dalen
sg