OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 16 juni 2009 is appellant met ingang van 1 juli 2009 bijstand verleend ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande zonder een toeslag van 20% omdat appellant de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.
bij brief van 23 december 2014 heeft het college appellant geïnformeerd over de overgang naar de Participatiewet met ingang van 1 januari 2015. In deze brief heeft het college ook melding gemaakt van de kostendelersnorm, aangekondigd dat deze norm op
1 juli 2015 ingaat en dat nog wordt bezien of deze norm op appellant van toepassing is. Naar aanleiding van deze brief heeft appellant op 31 maart 2015 bezwaar gemaakt. Appellant heeft aangevoerd dat de kostendelersnorm in zijn situatie niet van toepassing is. Hierbij heeft appellant betaalspecificaties betreffende januari en februari 2015 gevoegd.
Bij besluit van 11 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de betaalspecificaties betreffende januari en februari 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft herhaald dat de kostendelersnorm pas geldt met ingang van 1 juli 2015 en het standpunt ingenomen dat de betaalspecificaties, afgezien van een fout waardoor over januari 2015 een te hoog bedrag is uitgekeerd, een herhaling zijn van het toekenningsbesluit van
16 juni 2009. Hierdoor zijn deze specificaties niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg en kunnen ze niet worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld uitspraak van 8 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2313) ligt aan elke (meestal: maandelijkse) betaling van salaris of
uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt. Dan is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van
artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Appellant heeft in hoger beroep niet bestreden dat de uitkeringsspecificaties waartegen zijn bezwaar is gericht een herhaling zijn van het toekenningsbesluit van 16 juni 2009. Dit betekent dat het college het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) P.C. de Wit