OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 4 december 2015 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) voor inrichtingskosten tot een bedrag van € 5.000,-.
Bij besluit van 2 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juli 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college
ten grondslag gelegd dat, voor zover van belang, de inrichtingskosten van appellante voorzienbaar zijn geweest en dat appellante genoeg tijd heeft gehad om te reserveren voor
die kosten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
De beroepsgrond dat appellante vanuit een zwervend bestaan naar een woning is verhuisd en daarom recht heeft op bijzondere bijstand slaagt niet. Appellante verbleef van januari 2013 tot november 2013 in een woonhotel en van november 2013 tot en met januari 2014 in een Stayokay-hostel. Niet in geschil is dat aan appellante voor de kosten van dat verblijf bijzondere bijstand is toegekend en dat zij in die periode en nadien ononderbroken bijstand heeft ontvangen. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de inrichtingskosten, waarvoor appellante op 4 december 2015 onderhavige aanvraag heeft ingediend, voorzienbaar waren en dat appellante daarvoor heeft kunnen reserveren. Zoals eerder overwogen (uitspraak van 31 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3778) worden inrichtingskosten tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten gerekend en wordt in een inkomen op minimumniveau ruimte aanwezig geacht om voor deze kosten te kunnen reserveren dan wel daarin te voorzien door gespreide betaling achteraf.
Voor zover appellante heeft gesteld dat zij vanwege schulden niet kon reserveren, slaagt deze stelling evenmin. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318) is het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid die in het individuele geval bijstandverlening rechtvaardigt. Schulden, dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet worden afgewenteld op de bijstand.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2018.
(getekend) M. Hillen
(getekend) F. Demiroğlu