ECLI:NL:CRVB:2018:184

ECLI:NL:CRVB:2018:184, Centrale Raad van Beroep, 18-01-2018, 17/4420 AW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-01-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/4420 AW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk. Nu appellant de gronden van het hoger beroep niet langer handhaaft, heeft hij geen processueel belang meer. Geen sprake van overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw

Nederlandse Politie (LFNP))is vastgesteld op de functie van [functie 1],

salarisschaal 8.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot

toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functie 2], met als vakgebied [vakgebied], gewaardeerd in salarisschaal 8. Bij besluit van 12 juni 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Nu appellant de gronden van het hoger beroep niet langer handhaaft, heeft hij geen processueel belang meer bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Om die reden dient het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Thans ligt slechts nog ter beoordeling voor het verzoek om immateriële schadevergoeding. Appellant heeft aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Tussen het maken van bezwaar op 20 januari 2014 en de uitspraak van de rechtbank op 9 mei 2017 heeft de behandeling van het bezwaar minder dan zes maanden geduurd en de behandeling van het beroep bij de rechtbank meer dan vierendertig maanden, waarmee sprake is van een aanzienlijke overschrijding.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van een zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

Indien voor het eerst voor de Raad een beroep op schending van de redelijke termijn wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak van de Raad, waarbij de duur van de totale procedure in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in zo’n geval ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd

(zie ook het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overweging 3.13.3). De Raad verwijst voorts naar zijn uitspraak van 20 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3993).

Nu appellant zich voor het eerst voor de Raad op schending van de redelijke termijn heeft beroepen en sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de korpschef op 24 januari 2014 tot aan de uitspraak van de Raad van heden nog geen vier jaar zijn verstreken, is de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden. Dit betekent dat het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2018.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) L.V. van Donk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2018-0087
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?