OVERWEGINGEN
Op 21 april 2016 is onder de Svb executoriaal derdenbeslag gelegd op de inkomsten van appellant uit zijn AOW-pensioen tot een bedrag van € 1.050,79.
Bij besluit van 29 april 2016 heeft de Svb appellant er van in kennis gesteld dat met ingang van mei 2016 een bedrag van € 187,05 per maand op zijn pensioen wordt ingehouden en rechtstreeks wordt overgemaakt aan de deurwaarder.
Bij besluit van 11 mei 2016 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 april 2016 ongegrond verklaard.
Bij brief van 19 mei 2016 is aan de Svb meegedeeld dat het beslag is opgeheven. De Svb heeft naar aanleiding hiervan bij besluit van 20 mei 2016 aan appellant kenbaar gemaakt dat de reeds ingehouden bedragen, te weten het AOW-pensioen en het vakantiegeld over de maand mei, in mei 2016 zullen worden teruggestort.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het onder 1.4 genoemde besluit van
20 mei 2016 aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 11 mei 2016 is door de rechtbank ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat niet is gebleken dat de Svb buiten het kader van het beslag is getreden. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 mei 2016 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen procesbelang heeft bij een beoordeling van dat besluit.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in aanmerking komt voor een schadevergoeding omdat er ten onrechte beslag is gelegd op zijn AOW-pensioen.
4. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep de in beroep naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie heeft herhaald. Deze hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen plaats, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2018.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) G.D. Alting Siberg
ew