ECLI:NL:CRVB:2018:2240

ECLI:NL:CRVB:2018:2240, Centrale Raad van Beroep, 24-07-2018, 16/2180 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 24-07-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/2180 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 8 zaken
Aangehaald door 2 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002221 BWBR0011823 BWBR0015703 CELEX:32004L0038 EU:32004L0038

Samenvatting

Verrekening kostenvergoeding in bezwaar met vordering. Vaste rechtspraak.

Uitspraak

16. 2180 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

30 maart 2016, 15/3866 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 24 juli 2018

PROCESVERLOOP

De Svb heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. D.R. Kamps, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben - desgevraagd - niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 2 juni 2015 heeft de Svb bepaald dat een vordering op betrokkene van

€ 8.890,24 vanwege te veel ontvangen bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) wordt verrekend met het ouderdomspensioen van betrokkene op grond van de Algemene Ouderdomswet door maandelijkse inhoudingen van € 150,-.

Bij besluit van 22 september 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2015 gegrond verklaard en de maandelijkse inhoudingen nader vastgesteld op € 50,- per maand. De Svb heeft betrokkene een vergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar tot een bedrag van € 490,-. De Svb heeft ook deze kostenvergoeding verrekend met de openstaande vordering. Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, voor zover daarbij de vergoeding voor de kosten in bezwaar is verrekend met de openstaande vordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 2 juni 2015 herroepen voor zover daarbij de vergoeding voor de kosten in bezwaar is verrekend met de openstaande vordering en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De rechtbank heeft overwogen dat in het geval dat een toevoeging voor rechtsbijstand op grond van de Wet op de rechtsbijstand is verleend, als hier aan de orde, een kostenvergoeding in de bestuurlijke voorfase niet met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet (PW) kan worden verrekend met een bestaande vordering op de belanghebbende indien de kostenvergoeding niet expliciet is toegekend aan de rechtszoekende. Van dit laatste is niet gebleken, zodat de vergoeding op grond van

artikel 7:15, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geacht moet worden te zijn toegekend aan de rechtshulpverlener.

3. In hoger beroep heeft de Svb zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de bezwaarkostenvergoeding niet kan worden verrekend met de vordering op betrokkene.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In zijn uitspraak van 8 november 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4256), waarnaar de Raad kortheidshalve verwijst, heeft de Raad geoordeeld dat de verrekening tussen het bestuursorgaan en de betrokkene feitelijk voorgaat op de betaling aan een derde, te weten de rechtshulpverlener. Hieruit volgt dat wel aan de toepassingsvoorwaarden voor verrekening als bedoeld in artikel 60a, vierde lid, van de PW is voldaan en dat de Svb bevoegd is de bezwaarkostenvergoeding te verrekenen met de vordering op betrokkene. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) P.C. de Wit

GdJ

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?