OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 (Stcrt. 2013, nr. 11425) (Wrakingsregeling) bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek niet is gemotiveerd.
3. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141 en van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3625).
Van een gemotiveerd wrakingsverzoek is sprake als uit het verzoek op enigerlei wijze blijkt dat en waarom de verzoeker van mening is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Verzoeker heeft in het verzoek van 15 januari 2018 uitsluitend naar voren gebracht dat uit de brief van de Raad van 28 december 2017 blijkt dat de behandelend rechter geen gehoor zal geven aan zijn verzoek van 15 december 2017. Hierbij heeft verzoeker vermeld dat binnen vijf werkdagen een verdere onderbouwing van zijn verzoek zal volgen.
Dit kan niet worden aangemerkt als motivering van het wrakingsverzoek, nu verzoeker enkel verwijst naar een afwijzende beslissing en daarbij in het geheel niet duidelijk maakt dat en waarom naar zijn mening de onpartijdigheid van de behandelend rechter daardoor schade zou kunnen lijden. Ook uit de brief van verzoeker van 15 december 2017 kunnen dergelijke omstandigheden niet worden opgemaakt.
Gelet op wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 en op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrakingsregeling bestaat dan ook aanleiding het verzoek om wraking van de behandelend rechter niet in behandeling te nemen.
Wat betreft de opmerking van verzoeker dat hij zijn wrakingsverzoek nog nader zal onderbouwen en de daarop gevolgde brief van 18 januari 2018, wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 8:16, derde lid, van de Awb, waarin is opgenomen dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen.
Nu verzoeker in dezelfde hogerberoepszaken tot viermaal toe een niet geslaagd verzoek tot wraking heeft gedaan en het vierde wrakingsverzoek niet is gemotiveerd, is de conclusie gerechtvaardigd dat verzoeker misbruik maakt van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen. Er is dan ook aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking wegens misbruik in de onderhavige procedures niet in behandeling wordt genomen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- neemt het verzoek om wraking niet in behandeling;
- bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in de hoger beroepen met de
registratienummers 15/6212 WWB, 16/4781 PW en 17/1172 WWB niet in behandeling
wordt genomen.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Greebe en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2018.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) P. Boer