ECLI:NL:CRVB:2018:2629

ECLI:NL:CRVB:2018:2629, Centrale Raad van Beroep, 23-08-2018, 16/5330 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 23-08-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/5330 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 25 zaken
Aangehaald door 2 zaken
30 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004045 BWBR0005537 BWBR0019057 BWBR0021670 BWBR0050905 CELEX:31985R3821 CELEX:31993L0012 CELEX:31993L0013 CELEX:31993L0022 CELEX:32000R1347 CELEX:32001L0042 CELEX:32001L0055 CELEX:32002F0584 CELEX:32003L0086 CELEX:32003R0343 CELEX:32004L0038 CELEX:32005L0029 CELEX:32006L0112 CELEX:32006L0123 CELEX:32006R0561 CELEX:32007R0864 CELEX:32008F0909 CELEX:32008L0048 CELEX:32008L0115 CELEX:32008L0118 CELEX:32008R0593 CELEX:32009R0004 CELEX:32009R1107 CELEX:32011L0083 CELEX:32011L0092

Samenvatting

WIA-uitkering terecht geweigerd. Niet verzekerd voor de WIA. Eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen in periode dat appellante niet verzekerd was voor de WIA. Risico laattijdige aanvraag.

Uitspraak

16. 5330 WIA

Datum uitspraak: 23 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 juli 2016, 15/7070 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Roemenië (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Goettsch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Goettsch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

Appellante heeft in Nederland tot en met 12 oktober 2011 werkzaamheden verricht als planner. Vanaf januari 2013 is zij woonachtig in Roemenië. Zij heeft tot en met 25 april 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.

Appellante heeft door middel van een op 16 februari 2014 gedateerd aanvraagformulier een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd in verband met arbeidsongeschiktheid vanaf 1 januari 2009. In verband met deze aanvraag heeft zij medische stukken aan het Uwv doen toekomen waaruit onder meer blijkt dat in september 2013 haar dikke darm operatief is verwijderd in Roemenië in verband met de diagnose megadolichocolon. Voorafgaand aan de diagnose megadolichocolon heeft zij gedurende jaren obstipatieklachten gehad.

In verband met deze aanvraag is appellante op 20 april 2015 onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft in een rapport van

20 april 2015 vermeld dat appellante tijdens het spreekuur heeft verklaard dat zij in juni 2012 arbeidsongeschikt is geworden. De verzekeringsarts heeft te kennen gegeven dat dit niet waarschijnlijk is omdat appellante zich toen niet ziek heeft gemeld en is blijven solliciteren. Daarbij blijkt uit een verslag van een colonscopie in januari 2013 door haar behandelend internist in Nederland niet dat eerder zodanige klachten bestonden dat appellante arbeidsongeschikt was. De verzekeringsarts heeft de datum van de operatie in Roemenië, 18 september 2013, als eerste arbeidsongeschiktheidsdag aangemerkt.

Bij besluit van 19 mei 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA omdat zij ten tijde van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was op grond van de Wet WIA en ook niet aan de voorwaarden van Verordening 883/2004 voldoet om aanspraak te kunnen maken op een Nederlandse uitkering.

In het kader van het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 14 oktober 2015 te kennen gegeven dat uit informatie van de behandelend internist in Nederland van januari 2013 blijkt dat bij de colonscopie in januari 2013 geen afwijkingen zijn gevonden. Deze arts ziet daarom geen reden om voorafgaand aan dit onderzoek arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Informatie over de medische toestand van appellante tussen januari 2013 en 18 september 2013 is niet aanwezig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat het gegeven dat in september 2013 de gehele dikke darm is verwijderd erop duidt dat de situatie vrij snel is verslechterd. Uit de medische informatie blijkt niet dat in april 2013 al een ernstig medisch toestandsbeeld met een niet werkende darm aan de orde was.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 mei 2015 is bij beslissing op bezwaar van 28 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen gelet op de onderzoeksactiviteiten en de opgestelde rapporten van de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank heeft verwezen naar de rapporten van 15 december 2015 en 22 maart 2016 waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op de in beroep ingebrachte medische gegevens heeft vermeld dat uit medische gegevens van februari 2013 slechts naar voren komt dat appellante obstipatie had, een slanke buik had en geen pijn bij palpatie. Klinisch onderzoek in juni 2013 liet een klinisch normaal abdomen zien. Een verslag van een MRI‑onderzoek van 8 augustus 2013 heeft geen inzicht gegeven in de aard en ernst van de aandoening en afwijkingen tussen januari 2013 en april/mei 2013. Uit deze informatie kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet worden afgeleid dat de bevindingen in januari 2013 onjuist zijn geweest of dat er eerder dan in september 2013 al een ernstige levensbedreigende situatie aan de orde was. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de in de verzekeringsgeneeskundige rapporten getrokken conclusies over de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft geen reden gezien om een deskundige te benoemen.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar darmklachten sinds juni 2012 dermate ernstig waren dat zij niet meer kon werken. Het ging daarbij niet alleen om een slechte stoelgang, het ging om een achteruitgang van haar algehele conditie. Appellante heeft verzocht om benoeming van een deskundige.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In geschil is of de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante is gelegen in de periode dat appellante verzekerd was voor de Wet WIA. Dit betekent in deze zaak dat beoordeeld moet worden of het Uwv zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante op een datum voor 25 april 2013 door ziekte of gebrek niet ongeschikt was voor haar eigen werkzaamheden. Omdat appellante niet eerder een uitkering op grond van de Wet WIA heeft aangevraagd dan op 16 februari 2014 en zich voor deze datum niet heeft ziek gemeld, moet haar aanvraag als een zogenoemde laattijdige aanvraag worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak moet de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, voor risico blijven van de degene die (alsnog) de late aanvraag doet. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 3 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1963) en 16 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2175). De rechtbank heeft in dit verband met juistheid verwezen naar de conclusies die zijn getrokken in de verzekeringsgeneeskundige rapporten. De overwegingen die de rechtbank aan de aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd, worden geheel onderschreven. Uit de voorhanden zijnde medische gegevens kan niet worden afgeleid dat appellante in juni 2012 al als arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt dan wel dat voor 25 april 2013 een situatie heeft bestaan waarin appellante als arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt. Het Uwv heeft zich dan ook met juistheid op het standpunt gesteld dat appellante arbeidsongeschikt is geworden in een periode waarin zij niet was verzekerd voor de Wet WIA. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige in te schakelen.

Uit wat is overwogen bij 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2018.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H. Achtot

NW

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?