ZW
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven.
Ook in hoger beroep zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv de medische situatie van appellante op de datum in geding, te weten 11 januari 2016, onjuist hebben ingeschat. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en bij appellante een medisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier eveneens bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en appellante uitvoerig bevraagd over haar klachten en behandelingen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door appellante in bezwaar overgelegde informatie van de behandelend psychiater dr. M. de Veth-Konings van 19 januari 2016 en de door hem opgevraagde en ontvangen informatie van de huisarts van 30 mei 2016 (waaronder informatie van psychiater De Veth-Konings en informatie van psycholoog drs. M.L. Unterberg) bij de beoordeling betrokken. De door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep correct in de FML van 7 juni 2016 weergegeven. In het rapport van 17 november 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog gereageerd op wat door appellante in beroep is aangevoerd over haar schouderklachten en pijn in ellebogen, polsen, handen en vingers. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom de door appellante in beroep aangevoerde gronden hem geen aanleiding geven om tot een ander standpunt te komen over de belastbaarheid van appellante op
11 januari 2016.
De omstandigheid dat appellante in verband met een nieuwe ziekmelding op 28 juni 2016 recht heeft op ziekengeld, maakt de beoordeling niet anders. Uit het aan de vaststelling van het recht op ziekengeld ten grondslag liggende rapport van 16 juni 2017 blijkt dat appellante zich heeft ziek gemeld wegens nierstenen/galstenen, en later blaasproblemen waarvoor een tweede operatie op 1 juni 2017 heeft plaatsgevonden, en dat de verzekeringsarts bij onderzoek ook een toename van de beperkingen heeft vastgesteld op grond van de nieuwe klachten.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
WIA
Artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat de verzekerde recht heeft op toekenning van een uitkering zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat perioden van arbeidsongeschiktheid worden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen en dat voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken steeds in aanmerking worden genomen tijdvakken, gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld op grond van de ZW.
Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3938) volgt dat de beantwoording van de vraag of de wachttijd is vervuld een zelfstandige beoordeling vereist op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere tijdens de wachttijd plaatsgevonden hersteldverklaringen betrokken (kunnen) worden. Dit betekent dat aan de omstandigheid dat het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 11 januari 2016 is geëindigd op zichzelf geen doorslaggevende betekenis mag worden toegekend.
Tijdens de procedure in hoger beroep heeft het Uwv alsnog een zelfstandig onderzoek verricht naar de vraag of appellante de wachttijd van 104 weken heeft volbracht dan wel of er binnen vier weken na 11 januari 2016 een specifieke datum is aan te wijzen waarop sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Blijkens het rapport van 8 juni 2018 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van de eerdere rapporten van de verzekeringsartsen, met name het rapport van 7 juni 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellante op 26 mei 2016 op de hoorzitting heeft gezien en gesproken, en de voorhanden zijnde medische informatie van de behandelend sector, tot de conclusie gekomen dat er tussen 17 november 2015 en 26 mei 2016 geen sprake was van een essentiële wijziging in de medische situatie en dat het niet aannemelijk is dat er binnen vier weken na 11 januari 2016 sprake was van toegenomen beperkingen waardoor arbeidsongeschiktheid zou moeten worden aangenomen. Er is geen reden om dit standpunt voor onjuist te houden.
Omdat pas in hoger beroep een zelfstandige beoordeling is verricht naar de vraag of de wachttijd is vervuld en een afdoende onderbouwing is gegeven voor het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat appellante de wachttijd niet heeft vervuld, is de conclusie dat het bestreden besluit niet met de door artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en dat het, in strijd met artikel 7:12 van de Awb, niet deugdelijk was gemotiveerd. Deze gebreken zullen met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook als deze gebreken zich niet zouden hebben voorgedaan zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
Uit 4 en 5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van gronden en dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.
6. Gelet op wat in 5.4 is overwogen, is er wel aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.004,-. Er bestaat geen aanleiding voor het vergoeden van de kosten van de bezwaarprocedure. Artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend worden vergoed voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen. Hiervan is geen sprake.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.004,-;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) J.R. Trox
RB