CAK
Datum uitspraak: 3 oktober 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
CAK heeft verweerschriften ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.
Namens appellant heeft mr. Janszen een zienswijze omtrent dit incidenteel hoger beroep ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2018. Appellant en mr. Janszen zijn verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Imhoff.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant was maandelijks een bijdrage verschuldigd voor de kosten van zorg met verblijf.
Bij besluit van 9 januari 2015 heeft CAK de hoogte van de eigen bijdrage voor zorg met verblijf per 1 januari 2015 vastgesteld op € 383,31 per maand.
Bij besluit van 6 mei 2015 (bestreden besluit 1) heeft CAK het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 januari 2015 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld.
Bij besluit van 4 juni 2015 (bestreden besluit 2) heeft CAK de hoogte van de eigen bijdrage per 1 januari 2015 gewijzigd vastgesteld op € 454,50 per maand.
Met een factuur van 19 juni 2015 heeft CAK de te betalen eigen bijdrage over 2014 en 2015 gecorrigeerd. Appellant ontvangt een bedrag van € 1.445,50.
Met een factuur van 17 juli 2015 heeft CAK een bedrag van € 2.798,19 voor de eigen bijdrage over de maanden januari 2015 tot en met juli 2015 nagevorderd.
Bij besluit van 10 december 2015 (bestreden besluit 3) heeft CAK het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 juli 2015 ongegrond verklaard.
Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen bestreden besluit 1 mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft CAK in de door appellant gemaakte proceskosten in beroep veroordeeld.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat zowel uit de facturen van 19 juni 2015 en 17 juli 2015 als de door CAK gegeven toelichting duidelijk blijkt dat er geen sprake is van dubbele facturering van de eigen bijdrage over 2015. CAK heeft helder uiteengezet waarom en op welke wijze de eigen bijdrage over 2015 is gecrediteerd in de factuur van 19 juni 2015 en vervolgens in rekening is gebracht in de factuur van 17 juli 2015. De rechtbank heeft het onderdeel van het beroepschrift waarin verzocht is om kwijtschelding doorgezonden naar verweerder op grond van artikel 6:15 van de Awb om als bezwaarschrift te worden behandeld.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
CAK heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het in aangevallen uitspraak 1 gegeven oordeel over de proceskosten. De rechtbank had volgens CAK niet mogen overgaan tot een proceskostenveroordeling, omdat CAK gehouden was de bijdrage te herzien naar aanleiding van het bekend worden van de gewijzigde inkomensgegevens van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Aangevallen uitspraak 1
Ten aanzien van de wettelijke grondslag van bestreden besluit 2 heeft CAK in hoger beroep het standpunt ingenomen dat appellant de bijdrage verschuldigd is op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en niet, zoals eerder door CAK was vermeld, op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Appellant ontvangt namelijk ondersteuning vanuit de Wmo 2015. De gemeente Haarlem heeft aan CAK doorgegeven dat appellant deze ondersteuning vanaf 1 januari 2015 geniet. De bijdrage moet dan ook steunen op het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (Uitvoeringsbesluit) en de Uitvoeringsregels Wmo 2015 en niet op het Besluit langdurige zorg en de Regeling langdurige zorg. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij zich niet kan vinden in de vastgestelde eigen bijdrage en dat op welke wettelijke grondslag die eigen bijdrage is gebaseerd voor hem geen verschil maakt.
In het verweerschrift heeft CAK inzichtelijk gemaakt hoe voor appellant de bijdrage op grond van de Wmo 2015 is berekend. Hierbij is de uitkomst hetzelfde als onder de Wlz.
CAK heeft de bijdrage herzien en vastgesteld voor het jaar 2015. Deze gewijzigde vaststelling van de bijdrage over 2015 vindt zijn grondslag in het bij CAK bekend worden van gewijzigde inkomensgegevens van het Uwv over het peiljaar 2013. CAK heeft de bijdrage herzien binnen een periode van 24 maanden na het tijdstip waarop CAK in kennis is gesteld van de juiste gegevens. Daarmee heeft CAK op juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 3.6 van het Uitvoeringsbesluit, waarin is bepaald dat CAK binnen 24 maanden de eigen bijdrage herziet als sprake is van een omstandigheid die aanleiding geeft tot een wijziging, zoals in dit geval de nieuwe informatie van het Uwv.
CAK heeft de bijdrage van appellant vastgesteld in overeenstemming met de in het Uitvoeringsbesluit neergelegde berekeningsregels. CAK kon bij de vaststelling van de bijdrage uitgaan van de door de Belastingdienst vastgestelde gegevens. Appellant heeft zijn stelling dat de grondslag sparen en beleggen over het peiljaar lager moet zijn niet concreet onderbouwd en ook anderszins op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Voor zover appellant het niet eens is met de hoogte van de door de Belastingdienst vastgestelde grondslag, zal hij zich tot de Belastingdienst moeten wenden. Anders dan appellant betoogt, had CAK bij de berekening van de bijdrage geen rekening moeten houden met de werkelijke loonheffing. Het betoog van appellant dat CAK enkele aftrekposten buiten beschouwing heeft gelaten, slaagt ook niet. De bepalingen van het Uitvoeringsbesluit zijn dwingendrechtelijk van aard en limitatief gesteld. Zij bevatten geen hardheidsclausule of een coulanceregeling en bieden geen ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Artikel 3.13 van het Uitvoeringsbesluit schrijft dwingend voor welke kosten bij de berekening van het bijdrageplichtig inkomen als aftrekpost in aanmerking dienen te worden genomen. De bepalingen in het Uitvoeringsbesluit bieden CAK geen ruimte om andere kosten dan daarin bepaald in mindering te brengen op het bijdrageplichtig inkomen.
Uit wat in 4.1.3 en 4.1.4 is overwogen volgt dat CAK de hoogte van de bijdrage per
1 januari 2015 op grond van de Wmo 2015 terecht gewijzigd heeft vastgesteld op € 454,50 per maand. De Raad ziet hierin aanleiding om het in 4.1.1 geconstateerde gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou immers een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt.
In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, wordt aanleiding gezien CAK te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De rechtbank heeft verder CAK – hoewel zij dit om een andere reden heeft gedaan – terecht veroordeeld in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in beroep. Dit betekent dat het incidenteel hoger beroep dat zich richt op het door de rechtbank gegeven oordeel over de proceskosten geen nadere bespreking behoeft.
Uit wat hiervoor onder 4.1.1 tot en met 4.1.7 is overwogen, vloeit voort dat de aangevallen uitspraak 1 wordt bevestigd.
Aangevallen uitspraak 2
Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat CAK de factuur op een juiste wijze heeft vastgesteld. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank in aangevallen uitspraak 2 en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad gaat er wel van uit dat, zoals CAK ter zitting heeft meegedeeld, het verschil van € 1.445,50 zoals vermeld in de factuur van 19 juni 2015 in plaats van uitbetaald, is verrekend met openstaande bedragen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en aangevallen uitspraak 2 wordt bevestigd.
Proceskosten.
5. Zoals onder 4.1.7 is overwogen, is er aanleiding CAK te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1. Deze kosten worden begroot op € 1.002,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en N.R. Docter en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2018.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) Y. Azirar