ECLI:NL:CRVB:2018:3238

ECLI:NL:CRVB:2018:3238, Centrale Raad van Beroep, 18-10-2018, 18/952 AW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-10-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/952 AW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2018:55
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 9 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001950

Samenvatting

Strafontslag terecht. Toerekenbaar plichtsverzuim. Het plichtsverzuim dat appellante wordt verweten bestaat samengevat eruit dat zij een collegebesluit heeft nagemaakt, dat zij dit besluit voor echt heeft laten doorgaan en dat zij hierover heeft gezwegen daar waar er voldoende mogelijkheden waren om te spreken. Strafontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Uitspraak

18. 952 AW

Datum uitspraak: 18 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 januari 2018, 17/6883 en 17/6884

(aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.E. Bothe-Tsoutsanis hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. J.J. Blanken, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. I.M.A. van der Linden, opvolgend gemachtigde van mr. Bothe-Tsoutsanis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Blanken.

OVERWEGINGEN

Appellante was vanaf 2010 werkzaam bij de gemeente Vlissingen, laatstelijk in de functie van [naam functie].

Nadat het college het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellante haar zienswijze hierover naar voren had gebracht, heeft het college aan appellante bij besluit van 21 februari 2017 op grond van artikel 16:1:1 in verbinding met de artikelen 16:1:2 en 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Het plichtsverzuim dat appellante wordt verweten bestaat samengevat eruit dat zij een collegebesluit heeft nagemaakt, dat zij dit besluit voor echt heeft laten doorgaan en dat zij hierover heeft gezwegen daar waar er voldoende mogelijkheden waren om te spreken. Het college acht de gedragingen toerekenbaar en de straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig.

Bij besluit van 1 september 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2017, in afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften Vlissingen (commissie), ongegrond verklaard. Met het advies van de commissie om eerst een nader medisch onderzoek te gelasten alvorens definitief te besluiten, kan het college niet instemmen. Het college ziet hiertoe geen noodzaak, omdat appellante het standpunt dat sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid heeft ingetrokken en uitdrukkelijk heeft betwist dat sprake is van enige psychische stoornis. Daarnaast is geen medische informatie verstrekt op basis waarvan in redelijkheid de conclusie kan worden getrokken dat aanwijzingen bestaan van een zodanige psychische stoornis dat appellante niet in staat was de ontoelaatbaarheid van haar gedragingen in te zien en overeenkomstig dat inzicht te handelen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante de haar verweten gedragingen heeft begaan en dat deze plichtsverzuim opleveren. In geschil is de vraag of het plichtsverzuim toerekenbaar is en of de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim.

Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak van de Raad

(uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895) van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Op grond van vaste rechtspraak van de Raad moet het bestuursorgaan een onderzoek doen naar mogelijke verminderde toerekenbaarheid indien er aanwijzingen zijn dat het plichtsverzuim (mede) samenhangt met psychische klachten (uitspraak van 8 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2253).

Tijdens het gesprek op 1 december 2016 met, onder meer, de algemeen directeur en tijdens de zitting van de Raad heeft appellante verklaard dat ze de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft ingezien. Ze betwist echter dat ze overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen en stelt dat het plichtsverzuim haar niet, althans verminderd, is toe te rekenen. Ter onderbouwing hiervan heeft appellante een verklaring overgelegd van

25 januari 2017 van de psycholoog bij wie zij sinds 2 januari 2017 onder behandeling was. Volgens de psycholoog leed appellante in de periode waarin de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden aan een burn-out die van invloed is geweest op haar handelen. Daarnaast heeft appellante informatie van de arbo-arts van 9 januari 2017 overgelegd, die heeft verklaard dat appellante beperkt belastbaar was. De arbo-arts acht appellante onder andere beperkt in haar concentratievermogen, het verdelen van aandacht, omgaan met hoge werkdruk/stress/deadlines en het omgaan met meerdere zaken tegelijk. Ook heeft appellante gewezen op de al lange tijd bestaande hoge werkdruk en de angstcultuur binnen de organisatie. Zij heeft hiertoe diverse stukken overgelegd. Zowel de verklaring van de psycholoog, de informatie van de bedrijfsarts als de gedingstukken over de hoge werkdruk en cultuur binnen de organisatie kunnen appellante niet baten. Ze bieden immers geen grondslag voor de conclusie dat appellante in de periode waarin de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden niet overeenkomstig het inzicht dat haar gedragingen ontoelaatbaar waren heeft kunnen handelen. Uit de verklaringen van appellante zelf volgt dat zij bewuste afwegingen heeft gemaakt, zowel wat betreft het namaken van het collegebesluit als het zwijgen hierover nadien. Appellante is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij niet of verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het begaan van het plichtsverzuim. Het college heeft zich in het bestreden besluit verder op juiste gronden op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding was om een medisch onderzoek door een deskundige te laten instellen.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, is de straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat aan appellante in haar functie van gemeenteambtenaar bevoegdheden zijn toegekend en dat van zo’n ambtenaar een verhoogde mate van betrouwbaarheid, integriteit en verantwoordelijkheid mag worden verlangd. Door de verweten gedragingen heeft appellante van die eigenschappen geen blijk gegeven en het vertrouwen van het college ernstig geschaad. Dat het handelen van appellante niet heeft geleid tot schade voor de gemeente, zoals zij heeft gesteld, maakt niet dat het plichtsverzuim geen strafontslag rechtvaardigt en dat zij ernstige financiële gevolgen heeft ondervonden van het ontslag.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2018.

(getekend) N.J. Vulpen

(getekend) S.H.H. Slaats

MD

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?