16. 5230 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2016, 15/3479 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 16 oktober 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. F. Ben-Saddek, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2018. Namens appellanten is mr. Ben-Saddek verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P. Stahl-de Bruin en mr. L.M.J.A. Erkens.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellanten ontvingen vanaf 8 augustus 2008 bijstand, laatstelijk van de Svb op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling).
De Svb voert in de periode 2013 tot en met 2019 gefaseerd een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de AIO-aanvulling van alle AIO-gerechtigden. Hiertoe worden jaarlijks ruim 7.000 AIO-gerechtigden het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” (formulier) toegestuurd. De controle was in 2013 gericht op in Suriname geboren
AIO-gerechtigden, in 2014 op AIO-gerechtigden met als geboorteland Marokko, in 2015 op AIO-gerechtigden die in Turkije zijn geboren en van 2016 tot en met 2018 is de controle gericht op de overige in het buitenland geboren AIO-gerechtigden. In 2019 richt de controle zich op de in Nederland geboren AIO-gerechtigden. Elk jaar wordt de controlegroep aangevuld met een kleine steekproef onder specifieke delen van het klantenbestand. De Svb heeft steeds na het toesturen van het formulier nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de verleende AIO-aanvulling van AIO-gerechtigden die het formulier niet hadden teruggestuurd, alsmede van AIO-gerechtigden die het formulier wel hadden teruggestuurd en het formulier daartoe aanleiding gaf.
In het kader van het onder 1.2 vermelde rechtmatigheidsonderzoek heeft de Svb op 12 juni 2014 appellanten het formulier toegestuurd, met het verzoek dit formulier in te vullen en terug te sturen. Appellanten hebben niet aan dit verzoek voldaan, ook niet nadat de Svb appellanten hierom bij brief van 29 juli 2014 opnieuw had verzocht. Bij besluit van 30 september 2014 heeft de Svb het recht op AIO-aanvulling met ingang van 30 september 2014 opgeschort en appellanten in de gelegenheid gesteld het formulier alsnog vóór 28 oktober 2014 te retourneren. Appellanten hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Appellanten hebben tegen dit besluit geen bewaar gemaakt.
Bij besluit van 19 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellanten met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 30 september 2014 ingetrokken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten.
Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Appellanten hebben tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de AIO-aanvulling met ingang van 30 september 2014 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden.
Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken
Appellanten hebben als enige beroepsgrond aangevoerd, zoals ter zitting is bevestigd en toegelicht, dat het hen niet is te verwijten dat zij het formulier niet hebben geretourneerd. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat het onderzoek van de Svb, in het kader waarvan zij het formulier hebben ontvangen, in strijd is met het verbod van discriminatie als bedoeld in bijvoorbeeld artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. De Svb is er volgens appellanten niet in geslaagd te onderbouwen dat het onderzoek, zoals onder 1.2 omschreven, is gericht op alle AIO-gerechtigden en niet slechts op AIO-gerechtigden met een Marokkaanse achtergrond.
Ingevolge artikel 53a van de PW in samenhang met artikel 47a, tweede lid, van de PW is de Svb bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Daarbij mag echter niet in strijd gehandeld worden met het discriminatieverbod zoals onder meer opgenomen in artikel 14 EVRM en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Zie de uitspraken van de Raad van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1228, 1229, 1230 en 1231.
Een algemeen onderzoek naar eventueel vermogen in het buitenland dient een legitiem doel. De Svb is in beginsel bevoegd om met het oog op effectiviteit, efficiëntie en kostenbesparing, en vanwege het grote belang van bestrijding van onjuist gebruik van sociale voorzieningen, bij het toepassen van de onder 4.6 genoemde algemene onderzoeksbevoegdheid een selectie uit het totale bestand van AIO-gerechtigden te maken, tenzij hierbij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM wordt gemaakt tussen AIO-gerechtigden.
Uit de beschikbare gegevens valt niet af te leiden dat de Svb bij de selectie van de
AIO-gerechtigden die in 2014 zijn aangeschreven, waaronder ook appellanten, enig rechtens relevant onderscheid heeft gemaakt tussen verschillende groepen AIO-gerechtigden. Zoals onder 1.1 is weergegeven, onderzoekt de Svb immers in de periode van
2013 tot en met 2019 alle AIO-gerechtigden ongeacht het land van geboorte. Dat onderzoeksmiddelen in het buiten- en binnenland beperkt kunnen worden ingezet en door de Svb uit oogpunt van de beschikbaarheid van financiële middelen en capaciteitsmogelijkheden gekozen wordt voor een gefaseerde aanpak van het onderzoek op basis van de verschillende landen van herkomst van de AIO-gerechtigden, maakt het voorgaande niet anders. Het vermoeden van appellanten dat in de periode van 2013 tot en met 2019 niet alle
AIO-gerechtigden bij het onderzoek worden betrokken, hebben zij niet onderbouwd. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de door de Svb weergegeven onderzoeksopzet en de daarmee overeenkomende uitvoering van het onderzoek tot nu toe. Dit betekent dat de beroepsgrond van appellanten niet slaagt.
Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2018.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) S.A. de Graaff