ECLI:NL:CRVB:2018:3415

ECLI:NL:CRVB:2018:3415, Centrale Raad van Beroep, 30-10-2018, 17-1638 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 30-10-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17-1638 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2017:231
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0015703 BWBR0018450

Samenvatting

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor tandartskosten en medicijnkosten. Voorliggende voorziening. Geen sprake van zeer dringende redenen.

Uitspraak

17. 1638 PW

Datum uitspraak: 30 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

12 januari 2017, 15/7097 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2018, gelijktijdig met de zaak

17/1640 PW tussen dezelfde partijen. Voor appellante is mr. Van Zundert verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Tang. In de zaak 17/1640 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 30 december 2014 hebben appellante en haar partner bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van medicijnen en tandheelkundige zorg.

Bij afzonderlijke besluiten van 24 februari 2015 heeft het college de aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van medicijnen en tandartskosten afgewezen. Bij besluit van 5 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 24 februari 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat voor de kosten van geneesmiddelen en tandheelkundige hulp de Zorgverzekeringswet (Zvw) in beginsel als een aan de Participatiewet (PW) voorliggende, toereikende en passende voorziening dient te worden aangemerkt, waaraan volgens vaste rechtspraak niet afdoet dat de gemaakte kosten niet volledig door de voorliggende voorzieningen worden vergoed. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW om in afwijking daarvan toch bijzondere bijstand te verlenen, te weten een acute noodsituatie waarbij de behoeftige omstandigheden op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, is geen sprake.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De beroepsgronden van appellante laten zich, gelet op wat mr. Van Zundert ter zitting heeft toegelicht, zo samenvatten dat geen sprake is van een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening en dat er zeer dringende redenen zijn om bijzondere bijstand te verlenen.

De beroepsgrond dat voor de kosten van medicijnen en tandarts geen sprake is van een aan de PW voorliggende voorziening die passend en toereikend is, treft geen doel. Omtrent de kosten van geneesmiddelen heeft het college terecht gesteld dat volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR3948), die zijn gelding onder de PW heeft behouden, de Zvw in beginsel als een aan de Wet werk en bijstand (WWB) voorliggende, toereikende en passende voorziening dient te worden aangemerkt, waaraan volgens vaste rechtspraak niet afdoet dat de gemaakte kosten niet volledig door de voorliggende voorzieningen worden vergoed. Artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW staat derhalve aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:882), die zijn gelding onder de PW heeft behouden, dient ook voor de kosten van een tandheelkundige behandeling de Zvw, mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW in beginsel aan bijstandverlening in de weg. Ook als de gemaakte kosten niet (volledig) door de (aanvullende) verzekering worden vergoed, bestaat in beginsel geen recht op bijzondere bijstand.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt waarom in haar geval niet van het in 4.2 weergegeven uitgangspunt moet worden uitgegaan. De omstandigheid dat appellante vanwege haar schulden bij haar huidige ziektekostenverzekering niet kan overstappen naar zorgverzekeraar IZA Cura en derhalve niet aanvullend verzekerd is, maakt niet dat geen sprake is van een voorliggende voorziening Vergelijk de uitspraak van 3 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:640.

Ook de beroepsgrond dat sprake is van zeer dringende redenen om hier toch bijzondere bijstand te verlenen, treft geen doel. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW kan enkel sprake zijn bij een acute noodsituatie, waarbij de behoeftige omstandigheden op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is daarvan sprake als een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. Dit wordt niet anders doordat beslag is gelegd op de zorgtoeslag.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2018.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.M.M. van Dalen

MD

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?