17. 4435 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 mei 2017, 16/9923 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 6 november 2018
Zitting heeft: F. Hoogendijk
Griffier: F.H.R.M. Robbers
Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 29 oktober 2015 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 mei 2015 tot en met 30 september 2015 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 1.445,45. Hiertegen heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Bij brief van 12 april 2016 heeft appellante verzocht om herziening van de terugvordering die in het besluit van 29 oktober 2015 was neergelegd.
2. Bij besluit van 28 juni 2016 heeft het college de hoogte van de terugvordering verlaagd met € 178,- naar een bedrag van € 1.267,45 en de terugvordering voor het overige gehandhaafd. Bij besluit van 7 november 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard op de grond dat appellante na de eerdere besluitvorming geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Daarbij heeft het college met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verwezen naar het besluit van 29 oktober 2015.
3. Hier ligt de vraag voor of de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard.
4. Appellante heeft aangevoerd, dat het college het verzoek om terug te komen van het besluit van 29 oktober 2015 tot en met de hoorzitting inhoudelijk heeft beoordeeld en het dan geen pas geeft om het besluit op bezwaar ongegrond te verklaren op de grond dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Op grond van artikel 7:11, eerste lid van de Awb is het college na bezwaar tegen een besluit verplicht tot een volledige heroverweging van dat besluit. Dit brengt mee dat het college tot een ander besluit of tot een andere motivering daarvan kan komen.
5. Vervolgens heeft appellante aangevoerd dat het college op grond van wat door haar is aangedragen tot herziening van het besluit van 29 oktober 2015 had moeten komen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Het college heeft het verzoek van appellante met verwijzing naar het besluit van 29 oktober 2015, dus met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid van de Awb mogen afwijzen. De rechtbank heeft terecht aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden geoordeeld dat het college zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat wat appellant heeft aangedragen geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die mogelijk tot herziening van het oorspronkelijke besluit hadden kunnen leiden.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden immers verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
De verklaring van [X.] had appellante al eerder kunnen overleggen. De verklaring van [Y.] heeft het college bij het bestreden besluit al in aanmerking genomen en de verklaring van [Z.] bevat geen concrete gegevens die van betekenis zouden kunnen zijn voor de in het besluit van 29 oktober 2015 vervatte terugvordering.
Dat het college reden heeft gezien om het terugvorderingsbedrag ten gunste van appellante gedeeltelijk bij te stellen maakt, anders dan appellante heeft betoogd, niet dat de afwijzing van het herzieningsverzoek voor het overige evident onredelijk is.
6. Gelet op deze overwegingen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) F. Hoogendijk
md