OVERWEGINGEN
Appellante staat vanaf 18 december 2012 in de basisregistratie persoonsgegevens (brp) ingeschreven onder het adres [adres]. De broer van appellante is hoofdbewoner van dit adres.
De minister heeft aan appellante van januari 2013 tot en met juli 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
Op 10 juli 2014 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Van de bevindingen van dit onderzoek is op 17 juli 2014 een rapport opgemaakt. In het rapport hebben de controleurs vermeld dat zij op het brp-adres van appellante hebben aangebeld en dat hen door een man via de intercom is meegedeeld dat zij geen toestemming krijgen om het huis te betreden en dat niet wordt meegewerkt aan een onderzoek. Vervolgens hebben de controleurs een buurtonderzoek verricht. De verklaringen van vier buren zijn bij het rapport gevoegd.
Bij besluit van 2 augustus 2014 heeft de minister, op basis van het onder 1.3 genoemde rapport en de daarbij behorende verklaringen, de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2013 herzien, in die zin dat appellante vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 3.738,39 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 26 november 2014 is dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd.
Het beroep tegen het besluit van 26 november 2014 is door de rechtbank Den Haag ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad bij uitspraak van 17 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3230, bevestigd.
Bij besluit van 9 maart 2015 heeft de minister aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.869,19. Bij besluit van 8 november 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante gegrond verklaard en is de boete gematigd tot een bedrag van € 1.186,70. Aan de boeteoplegging heeft de minister het onder 1.3 genoemde rapport en de daarbij gevoegde verklaringen ten grondslag gelegd. Daaruit is volgens de minister gebleken dat appellante op 10 juli 2014 niet woonde op het brp-adres, welke vaststelling terugwerkt tot en met augustus 2013. Appellante heeft geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat zij in die periode wel op het brp-adres woonde. Met toepassing van artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 is de boete nader vastgesteld op 50% van het ten gevolge van de herziening over de periode augustus 2013 tot en met juli 2014 teruggevorderde bedrag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad oordeelt als volgt.
De gronden dat de minister op 10 juli 2014 niet langer bevoegd was tot het doen van een onderzoek naar haar woonsituatie omdat zij haar studiefinanciering op 4 juli 2014 had stopgezet en dat de controleurs zich niet hebben gehouden aan de uit de zogeheten ‘Richtlijnen voor controleurs’ voortvloeiende eisen die voor huisbezoeken gelden, zijn ook in de procedure in hoger beroep tegen het herzieningsbesluit aangevoerd. In de overwegingen 4.4 en 4.5 van de onder 1.5 vermelde uitspraak heeft de Raad overwogen dat, en waarom, deze gronden niet slagen. Dat oordeel, en de daartoe gegeven overwegingen, worden overgenomen.
Voor het toetsingskader bij een boete als de onderhavige, alsmede de hoogte daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877 en ECLI:NL:CRVB:2016:1878.
De Raad is van oordeel dat de minister met het rapport van 17 juli 2014 en de daarbij gevoegde verklaringen heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. In dat rapport worden de feiten en waarnemingen duidelijk en op inzichtelijke wijze weergegeven. De vier buren hebben onafhankelijk van elkaar unanieme verklaringen afgelegd over de bewoners van het brp-adres. Zij hebben verklaard dat op het brp-adres een getrouwd stel woont zonder kinderen en zonder andere bewoners. Onder overneming van wat in 4.3 in de onder 1.5 genoemde uitspraak van de Raad is overwogen geven de tijdens de procedure tegen het herzieningsbesluit ingebrachte nadere verklaringen van de buren geen aanleiding niet uit te gaan van de aanvankelijk tegenover de controleurs afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud door drie van hen ondertekende verklaringen. De minister heeft met het rapport van 17 juli 2014 en de daarbij gevoegde verklaringen aangetoond dat appellante ten tijde van de controle niet woonde op haar brp-adres.
De aan de orde zijnde boeteoplegging berust op het aan artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 ontleende wettelijk vermoeden dat appellante ook voorafgaand aan de controle niet op haar brp-adres heeft gewoond.
Uit de onder 4.2 genoemde uitspraken volgt dat bij de berekening van de hoogte van een boete als hier aan de orde gebruik kan worden gemaakt van een wettelijk vermoeden, zij het dat de werking van dit vermoeden bij een boeteoplegging in beginsel beperkt is tot een periode van maximaal 12 maanden voorafgaande aan en met inbegrip van de maand waarin de woonsituatie van de studerende is gecontroleerd. Gelet op deze beperking, de datum van de controle en de zogenoemde maandsystematiek van de Wsf 2000 werkt het wettelijk vermoeden in het geval van appellante terug tot 1 augustus 2013. Appellante heeft niet te kennen gegeven dat de woonsituatie in (een deel van) de periode voorafgaande aan het onderzoek naar haar woonsituatie wezenlijk verschilde van de situatie ten tijde van dat onderzoek. Voorts heeft appellante geen bewijsstukken overgelegd die redelijke twijfel wekken aan het gehanteerde wettelijk vermoeden. Dit betekent dat er geen aanleiding is om de overtreding voor de periode vanaf 1 augustus 2013 niet bewezen te achten op basis van het wettelijk vermoeden.
Uit 4.2. tot en met 4.4.2 volgt dat bij het bestreden besluit de boete mocht worden berekend met als grondslag het bedrag dat van appellante is teruggevorderd vanaf 1 augustus 2013.
De boete die de minister aan appellante heeft opgelegd is evenredig. Niet is gebleken van verminderde verwijtbaarheid of van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister een lagere boete had moeten opleggen.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018.
(getekend) J. Brand
(getekend) J.C. Borman