ECLI:NL:CRVB:2018:3913

ECLI:NL:CRVB:2018:3913, Centrale Raad van Beroep, 22-11-2018, 16/7299 WLZ-PV

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 22-11-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/7299 WLZ-PV
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002614

Samenvatting

In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Grensoverschrijdende situatie. Woonplaatsbegrip. Op grond van Verordening (EG) nr. 987/2009 onderzoek. Vaste rechtspraak. Geoordeeld wordt dat appellant gedurende zijn detentie zijn feitelijke verblijfplaats in België had, maar dat hij woonplaats heeft behouden in Nederland. Appellant was gedurende de periode van detentie in België, verzekerd voor de AWBZ en de Wlz.

Uitspraak

16. 7299 WLZ-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 november 2016, 15/3463 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 22 november 2018

Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum

Griffier: Y. Azirar

Ter zitting zijn verschenen: namens appellant mr. R.M.M. Menting en namens de Svb

mr. M.F. Sturmans

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Appellant, geboren in 1991 en woonachtig in Nederland, was verzekerd voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en vanaf 1 januari 2015 voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Hij heeft van 14 november 2014 tot 4 juni 2015 in detentie in België verbleven. Appellant heeft met het aanvraagformulier “Onderzoek verzekering AWBZ” van

7 juli 2015 aan de Svb gevraagd zijn verzekeringspositie voor de AWBZ tijdens zijn detentie in België te onderzoeken, omdat hij zijn zorgverzekering niet kon stopzetten.

Bij besluit van 22 juli 2015 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij vanaf

14 november 2014 verplicht verzekerd is voor de Wlz omdat hij ook tijdens zijn detentie in België als ingezetene van Nederland wordt aangemerkt. Deze verplichte verzekering brengt mee dat een zorgverzekering in Nederland moet worden afgesloten.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 15 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het onredelijk is om hem tijdens zijn detentie in België als ingezetene van Nederland aan te merken, omdat hij daardoor verplicht is een Nederlandse zorgverzekering te hebben. Deze onredelijkheid vloeit voort uit de Zorgverzekeringswet waarin ten tijde in geding nog geen mogelijkheid was opgenomen tot opschorting van de zorgverzekering voor gedetineerden in het buitenland. Hij verzet zich er met name tegen dat de Svb ter zitting van de rechtbank te kennen heeft gegeven beleid te hanteren dat het ingezetenschap bij detentie in het buitenland pas na één jaar verloren kan worden.

De Svb heeft ter zitting meegedeeld dat bij de vraag of sprake is van ingezetenschap alleen het gepubliceerde beleid wordt gehanteerd en dat in dat beleid niet is vermeld dat het ingezetenschap na één jaar van detentie in het buitenland wordt beëindigd.

In dit geding is tussen partijen alleen in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellant gedurende zijn detentie in België verplicht verzekerd is gebleven voor de AWBZ en de Wlz.

In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Vaststaat dat appellant zich in een grensoverschrijdende situatie bevond. Dit betekent dat aan de hand van het woonplaatsbegrip zoals neergelegd in Verordening (EG) nr. 883/2004 en in Verordening (EG) nr. 987/2009 dient te worden onderzocht waar appellant zijn normale woonplaats had en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevond. In het bijzonder dient te worden gelet op de gezinssituatie van de betrokkene en de familiebanden, de redenen waarom hij naar een ander land is gegaan, de duur en bestendigheid van zijn verblijf aldaar, de huisvestingssituatie, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt. Het begrip woonplaats in een lidstaat sluit niet uit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere lidstaat heeft. Een persoon kan voor de toepassing van deze Verordeningen echter niet tegelijkertijd beschikken over twee normale woonplaatsen op het grondgebied van twee verschillende lidstaten. Vergelijk onder meer de uitspraak van de Raad van 29 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:933.

Vastgesteld wordt, en dit is door appellant niet bestreden, dat hij gedurende zijn detentie onvrijwillig in België verbleef, dat dit verblijf van tijdelijke aard was, dat hij niet de intentie had in België te blijven en ook na zijn detentie direct is teruggekeerd naar Nederland. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan kan worden gezegd dat appellant gedurende zijn detentie het gewone centrum van zijn belangen niet in Nederland maar in België had. Geoordeeld wordt dan ook dat appellant gedurende zijn detentie zijn feitelijke verblijfplaats in België had, maar dat hij woonplaats heeft behouden in Nederland.

Dit betekent dat de Nederlandse wetgeving op appellant van toepassing was en hij als ingezetene van Nederland, ook gedurende de periode van detentie in België, verzekerd was voor de AWBZ en de Wlz.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) Y. Azirar (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

GdJ

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?