17. 3977 AKW
Datum uitspraak: 13 december 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
13 april 2017, 16/5452 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Daalhuizen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.
OVERWEGINGEN
Bij besluit van 26 juli 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 mei 2016, waarbij met ingang van het tweede kwartaal van 2016 het recht op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet is beëindigd, ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank volgende overwogen (waarbij voor eiser appellant moet worden gelezen):
“1.2. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift geen gronden bevat, dat wil zeggen dat daarin niet is vermeld waarom het besluit op het bezwaar volgens eiser onjuist of onvolledig is.
De rechtbank heeft eiser bij brief van 25 augustus 2016 uitgenodigd om binnen vier weken alsnog de beroepsgronden in te dienen. Eveneens is in deze brief meegedeeld dat slechts in uitzonderlijke gevallen uitstel van deze termijn mogelijk is en dat als hierom niet tijdig is verzocht of de gronden niet tijdig zijn ingediend, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. Eiser heeft hierop bij brief van 4 oktober 2016 gereageerd. Dit is niet binnen de gestelde termijn. Bovendien bevat ook deze brief niet de gronden van eisers beroep. Eiser noch zijn gemachtigde is ter zitting verschenen. Zij hebben ook verder niet toegelicht waarom is verzuimd de beroepsgronden tijdig in te dienen. Nu niet is gebleken van verschoonbaarheid van deze termijnoverschrijding, ziet de rechtbank op grond van artikel 6:6 van de Awb aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.”.
3. In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het gemotiveerde verzoek om uitstel van de zitting heeft afgewezen, terwijl duidelijk was dat een goede voorbereiding van de zitting op dat moment niet mogelijk kon zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant zich desgevraagd nog beroepen op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. De Raad oordeelt als volgt.
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Volgens vaste rechtspraak worden in het algemeen geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaar- of beroepschrift (zie de uitspraak van 31 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2056). Dit brengt mee dat in de regel ook bij een in het beroepschrift gegeven summiere motivering van het beroep kan worden aangenomen dat is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef onder d, van de Awb. Dit neemt niet weg dat het beroepschrift, hoe summier verwoord ook, een concrete beroepsgrond dient te bevatten. Een belanghebbende kan er niet mee volstaan mee te delen dat hij het niet eens is met een bepaald besluit. Hij dient tevens duidelijk te maken op welk punt of welke punten en waarom hij het niet met dat besluit eens is.
De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het beroepschrift van appellant van
24 augustus 2016 geen concrete beroepsgrond in bovenvermelde zin bevat. Voorts staat vast dat de gronden van het beroep niet binnen de daartoe gestelde termijn zijn ingediend en dat binnen die termijn evenmin om uitstel van indiening van die gronden is verzocht. De stelling van appellant dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar moet worden geacht, is door hem niet nader onderbouwd. Ook de Raad is niet gebleken van omstandigheden die tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding zouden moeten leiden. De gronden tegen de aangevallen uitspraak die betrekking hebben op het door de rechtbank niet gehonoreerde verzoek om uitstel van de zitting, kunnen niet leiden tot een ander oordeel, nu de rechtbank ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep heeft moeten toetsen en daarbij terecht tot de conclusie is gekomen dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2018.
(getekend) M.F.J.M. de Werd
(getekend) H. Achtot
GdJ