18. 1021 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2018, 17/5784 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 12 december 2018
Zitting heeft: L.M. Tobé
Griffier: R.P.W. Jongbloed
Ter zitting zijn verschenen: mr. F.M. Meis, namens appellant.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Bij besluit van 14 juli 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 september 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten afgewezen onder verwijzing naar het medisch advies van het Indicatieadviesbureau Amsterdam (IAB).
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank volgt appellant niet in zijn standpunt dat het college verplicht was om in de bezwaarfase de dossierstukken aan de gemachtigde van appellant toe te sturen. Volgens de rechtbank volgt deze verplichting niet uit artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Het hoger beroep richt zich tegen dit oordeel van de rechtbank. Verder voert appellant aan dat de afwijzing van de maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten zich niet verhoudt tot de urgentieverklaring.
Zoals overwogen in de uitspraken van 4 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN8063 en 24 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3758, is in artikel 6:17 van de Awb geen verplichting voor het bestuursorgaan opgenomen om de stukken die ten grondslag liggen aan het primaire besluit aan de gemachtigde van appellant toe te zenden. Dit is na de wijziging van artikel 6:17 van de Awb per 12 juni 2017 niet anders. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 7:4 van de Awb (vergelijk de uitspraak van 19 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:BI6820).
De urgentieverklaring en de maatwerkvoorziening in de vorm van tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten staan juridisch los van elkaar. De omstandigheid dat appellant eerder om medische redenen een urgentieverklaring heeft gekregen geeft geen reden om aan de juistheid en volledigheid van het advies van het IAB te twijfelen. Deze urgentieverklaring en het daaraan ten grondslag liggend medisch advies van de GGD zien niet op de periode waarop deze zaak betrekking heeft.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) R.P.W. Jongbloed (getekend) L.M. Tobé