18. 4323 MAW
Datum uitspraak: 21 maart 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
25 juni 2018, 17/3095 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
De Commandant C/[naam bataljon] (commandant)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.A. Kropf hoger beroep ingesteld.
De commandant heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Koolmees. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Zilverberg en mr. W.S. Badri.
OVERWEGINGEN
Appellant is als militair in de rang van soldaat der eerste klasse, laatstelijk in de functie van [naam functie] in dienst bij de C/[naam bataljon].
Appellant is in maart 2015 gediagnosticeerd met netvliesloslating. Hierdoor is appellant beperkt voor het verrichten van zijn werkzaamheden als [naam functie] en heeft hij nadat de problemen met zijn oog aan het licht kwamen, aangepaste werkzaamheden opgedragen gekregen.
Bij besluit van 20 oktober 2016 is het functioneren van appellant in het tijdvak van 4 januari 2016 tot 30 september 2016 beoordeeld met als totaal oordeel ‘onvoldoende’.
Bij besluit van 23 maart 2017 (bestreden besluit) is de beoordeling na bezwaar gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Appellant voert aan dat hij vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap niet beoordeeld mocht worden, omdat hij niet volledig dienstgeschikt was. De beperkingen zijn niet alleen fysiek van aard, maar ook psychisch. Door een incident in augustus 2014 waarbij een collega-militair hem tot tweemaal toe een kopstoot heeft gegeven, is oogletsel ontstaan en het zelfvertrouwen van appellant ernstig aangetast. Dit is van invloed geweest op zijn functioneren. De commandant heeft na het incident geen nazorg verleend en heeft bij het opmaken van de beoordeling ook geen rekening gehouden met het incident.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2444) staan langdurige periodes van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid niet in de weg aan het opmaken van een beoordeling en wordt deze daardoor niet onzorgvuldig of irreëel. De beoordeling behoort wel alleen betrekking te hebben op het functioneren op dagen of uren van arbeidsgeschiktheid. Over die dagen of uren hoeven geen lagere eisen aan het functioneren van de ambtenaar te worden gesteld dan gebruikelijk. Aan de gezondheidstoestand van de ambtenaar komt in die zin slechts geringe betekenis toe.
De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat hij gelet op de door hem geschetste omstandigheden niet beoordeeld mocht worden. Appellant heeft nadat de problemen met het oog aan het licht kwamen, een aangepast programma gekregen. Hij is daarbij vrijgesteld van werkzaamheden waarbij zijn oogletsel mogelijk een belemmering zou kunnen vormen en beoordeeld op basis van zijn aangepaste werkzaamheden. Uit de gedingstukken blijkt ook niet dat appellant het gebrek aan nazorg en zelfvertrouwen en de invloed daarvan op zijn functioneren kenbaar heeft gemaakt voor of tijdens het opmaken van de betwiste beoordeling. Nu appellant in de genoemde periode niet ziek gemeld was en de opgedragen werkzaamheden waren afgestemd op zijn mogelijkheden, was er geen reden om over die periode een beoordeling achterwege te laten.
Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2019.
(getekend) H. Benek
(getekend) J.M.M. van Dalen
lh