ECLI:NL:CRVB:2019:1374

ECLI:NL:CRVB:2019:1374, Centrale Raad van Beroep, 16-04-2019, 18/3875 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 16-04-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/3875 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358

Samenvatting

Ten onrechte kosten bezwaar vergoed met toepassing van wegingsfactor 0,5. Bezwaar vergelijkbaar met soortgelijk bezwaar valt niet onder uitzonderingen voor lichte wegingsfactor.

Uitspraak

18 3875 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 16 april 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2018, 17/7147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.R.G. Keijzer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten. Het college heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. De Raad heeft daarna het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 25 juli 2017 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand tot een bedrag van € 77,- (aanvraag 1).

Appellante heeft op 18 augustus 2017 nogmaals een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand tot een bedrag van € 143,- en voor griffierecht (aanvraag 2).

Bij besluit van 23 augustus 2017 (besluit 1) heeft het college aanvraag 1 afgewezen op de grond dat appellante voldoende draagkracht heeft en de kosten kan betalen uit haar inkomen.

Bij besluit van 14 september 2017 (besluit 2) heeft het college aanvraag 2 afgewezen op de grond dat appellante nog voldoende draagkracht heeft en de kosten kan betalen uit haar inkomen.

Bij brief van 4 oktober 2017 heeft appellante tegen besluit 1 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 oktober 2017 heeft het college het bezwaar van 4 oktober 2017 tegen besluit 1 gegrond verklaard, appellante bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van

€ 77,- en een vergoeding van de kosten van bezwaar toegekend tot een bedrag van € 495,-

(1 punt voor het bezwaarschrift). Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het voor het vaststellen van de draagkracht voor de periode van 1 april 2017 tot en met

31 maart 2018 (draagkrachtperiode) een onjuiste berekeningsmethode heeft gehanteerd. Op grond van de juiste berekening met toepassing van artikel 3.2, vijfde lid, onder a, van de Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ (beleidsregels) heeft appellante geen draagkracht.

Bij brief van 26 oktober 2017 heeft appellante tegen besluit 2 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 november 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard, voor de motivering verwezen naar het besluit van

17 oktober 2017 en appellante bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 143,-. Het college heeft geen vergoeding toegekend voor de kosten van bezwaar, omdat appellante deze kosten al vergoed heeft gekregen bij het besluit van 17 oktober 2017. Appellante had in haar bezwaarschrift van 4 oktober 2017 tegen besluit 1 ook al haar bezwaren tegen besluit 2 kenbaar kunnen maken. Het college had dan in één beslissing op bezwaar of twee beslissingen op bezwaar van gelijke datum haar bezwaren kunnen behandelen. Dat appellante twee bezwaarschriften heeft ingediend, is voor haar rekening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de kosten van de bezwaarfase niet zijn vergoed en bepaald dat het college de kosten van de bezwaarfase tot een bedrag van € 247,50 vergoedt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante, wil zij voor vergoeding van de kosten van bezwaar in aanmerking komen, niet gehouden is haar bezwaren op een zodanig tijdstip in te dienen dat deze gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig kunnen worden behandeld. Het staat appellante vrij zelf te bepalen of, en op welk moment, zij bezwaar maakt en daarbij haar eigen afwegingen te maken mits zij daarbij de geldende termijn in acht neemt. Bij de vaststelling van het bedrag van € 247,50 is de rechtbank uitgegaan van 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van

€ 501,- en een wegingsfactor 0,5. De rechtbank heeft de wegingsfactor op 0,5 gesteld, omdat zij deze zaak als licht beoordeelt, nu kort daarvoor een vergelijkbare zaak speelde.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het de hoogte van de vergoeding van de bezwaarkosten betreft. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank de bezwaarprocedure ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd als licht heeft beoordeeld en in verband daarmee de wegingsfactor voor de toekenning van de kosten van bezwaar op 0,5 heeft gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) dient bij de berekening van een vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand een wegingsfactor te worden toegepast die bepaald wordt door het gewicht van de zaak. In dat verband wordt in het Bpb een onderscheid gemaakt tussen zeer lichte, lichte, gemiddelde, zware en zeer zware zaken, waarvoor wegingsfactoren gelden van, onderscheidenlijk, 0,25, 0,5, 1, 1,5 en 2.

Uit vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 2 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV3988) volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat behandeling van een zaak in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld (wegingsfactor 1), tenzij duidelijke redenen aanwezig zijn om hiervan af te wijken. Een andere wegingsfactor dan 1 wordt naar vaste rechtspraak slechts gehanteerd bij een naar juridische en/of feitelijke complexiteit van het gemiddelde afwijkende zaak.

Sinds 2016 wordt een wegingsfactor 0,5 slechts gehanteerd in de volgende - strikt uit te leggen - gevallen:

a. Het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig beslissen en/of de verschuldigdheid van een dwangsom als gevolg daarvan en het beroep is van eenvoudige aard.

b. Er wordt uitsluitend vernietigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

c. Het rechtsmiddel in bezwaar en/of beroep heeft uitsluitend betrekking op de vergoeding van proceskosten.

d. In hoger beroep gaat het alleen over één van de uitzonderingscategorieën genoemd onder a tot en met c.

(Vergelijk de uitspraak van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.)

Vastgesteld wordt dat de situatie die hier aan de orde is, te weten dat het bezwaarschrift vergelijkbaar is met een bezwaarschrift tegen een soortgelijk besluit dat naar aanleiding van de bezwaren tegen dat besluit is herroepen, niet onder één van de onder 4.3 genoemde uitzonderingscategorieën valt. Er is daarom geen grond voor het hanteren van een wegingsfactor van 0,5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het college veroordelen in de kosten van bezwaar van appellante tot een bedrag van

€ 512,-.

5. De Raad ziet aanleiding het college tevens te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 256,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift met een wegingsfactor van 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het college is veroordeeld in de kosten van bezwaar tot een bedrag van € 247,50;

- veroordeelt het college in de kosten van bezwaar van appellante tot een bedrag van € 512,-;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 256,-;

- bepaalt dat het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2019.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) Y. Itkal

md

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2019/112
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?