17. 2589 WIA-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van
de rechtbank Gelderland van 23 februari 2017, 16/256 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 april 2019
Zitting heeft: mr. B.J. van de Griend
Griffier: J. Smolders
Appellante heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. J.G.J. Spiekker en
F.H. Tjeenk Willink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Op 1 september 2014 heeft [werkneemster] (werkneemster), die laatstelijk werkzaam was als office manager bij appellante, zich ziek gemeld. Op 31 juli 2015 heeft werkneemster een aanvraag ingediend om met toepassing van een verkorte wachttijd in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 28 september 2015 heeft het Uwv de aanvraag van werkneemster afgewezen.
Bij besluit van 2 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 september 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht en op goede gronden de aanvraag van werkneemster om een uitkering op grond van de Wet WIA na een verkorte wachttijd heeft afgewezen.
Het uitgangspunt van de Wet WIA is dat er een wachttijd is van twee jaar. Alleen in gevallen waarin op voorhand duidelijk is dat sprake is van een onomkeerbare situatie, is er een mogelijkheid om hierop met toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA een uitzondering te maken. Het toetsingscriterium is beperkter dan bij het einde van de wachttijd. Verkorting van de wachttijd is alleen mogelijk als sprake is van een medisch stabiele of verslechterende situatie. Het moet dus vaststaan dat de situatie van betrokkene niet meer zal verbeteren. De psychiater van werkneemster heeft verbetering van haar situatie in de toekomst niet uitgesloten. Er ontbreekt daarom een wettelijke grondslag om de aanvraag van werkneemster om een uitkering op grond van de Wet WIA met verkorte wachttijd toe te wijzen.
Het hoger beroep van appellante slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
J. Smolders B.J. van de Griend