18. 1190 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2018, 17/4352 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 9 april 2019
Zitting heeft: A.B.J. van der Ham als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: A.M. Pasmans
Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld en mr. L. van den Buijs.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Waar het in deze zaak om gaat is dat het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand en kosten van griffierecht op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling heeft gesteld omdat appellante niet tijdig alle gevraagde gegevens heeft overgelegd. De door appellante alsnog in bezwaar overgelegde gegevens heeft het college buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft in de kern aangevoerd dat, nu ontbrekende informatie in bezwaar is verstrekt, de aanvraag alsnog inhoudelijk dient te worden beoordeeld. Door dit niet te doen wordt het systeem van algehele heroverweging op zijn kop gezet. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens niet zijn verstrekt binnen de in de brief van 1 maart 2017 gegeven hersteltermijn. Evenmin is in geschil dat appellante tijdig beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de gevraagde gegevens en deze tijdig had kunnen overleggen.
Met een besluit van een bestuursorgaan een aanvraag buiten behandeling te stellen, komt in beginsel een eind aan het besluitvormingstraject. Aard en inhoud van het besluit dat strekt tot het buiten behandeling laten van de aanvraag om bijstand brengen mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het nemen van dat besluit alsnog zijn verstrekt. Hieruit volgt dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op bezwaar in het kader van zijn bestuurlijke heroverweging ingevolge artikel 7:11 van de Awb eerst en vooral dient te beoordelen of het primaire besluit tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag rechtmatig was, waarbij het bestuursorgaan rekening mag houden met het bijzondere karakter van een besluit genomen krachtens artikel 4:5 van de Awb. De omstandigheid dat ontbrekende gegevens na het nemen van het primaire besluit alsnog zijn overgelegd, behoort niet tot de wijzigingen in de situatie die bij voormelde heroverweging in aanmerking moeten worden genomen. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien de betrokkene aannemelijk maakt dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde gegevens of bescheiden binnen de gegeven hersteltermijn te verstrekken. Appellante is daarin niet geslaagd.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, was het college bevoegd de aanvraag van appellante buiten behandeling te laten. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
Het hoger beroep slaagt dus niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.M. Pasmans (getekend) A.B.J. van der Ham
md