18. 774 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2018, 17/2834 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 23 april 2019
Zitting heeft: G.M.G. Hink
Griffier: L. Hagendijk
Voor appellante is verschenen mr. J.J.E. Stout, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.L. Jagt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellante heeft op 18 november 2016 bijstand aangevraagd. Het college heeft de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld omdat appellante de gevraagde bankafschriften niet binnen de gegeven termijn heeft overgelegd. Dit ziet op de bankafschriften van de Groei Groter Rekening.
Het college heeft terecht vastgesteld dat de bankafschriften van de Groei Groter Rekening niet tijdig zijn overgelegd. Uit het dossier blijkt dat appellante pas in bezwaar de betreffende bankafschriften heeft overgelegd. Er zijn geen aanknopingspunten in het dossier waaruit kan worden afgeleid dat appellante de bankafschriften eerder heeft verstrekt.
Niet in geschil is dat de gevraagde bankafschriften van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarnaast is niet in geschil dat appellante beschikte of redelijkerwijs over de bankafschriften kon beschikken.
De beroepsgrond dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:5 van de Awb, omdat het stadium van de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag al is aangebroken, slaagt niet. De enkele omstandigheid dat het college de wel ingeleverde gegevens nader heeft bekeken, betekent niet dat daarmee in dit geval het stadium van de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag is aangebroken. Ook de gevraagde bewijsstukken van de stortingen op een andere rekening maakt niet dat het stadium van een inhoudelijke beoordeling is aangebroken. In dit geval was namelijk nog altijd sprake van een incomplete aanvraag. Appellante heeft immers niet tijdig de door het college gevraagde concrete en objectieve gegevens, namelijk de bankafschriften van de Groei Groter Rekening, ingeleverd, terwijl niet in geschil is dat deze van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het college was dan ook bevoegd de aanvraag van appellante buiten behandeling te stellen.
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) L. Hagendijk (getekend) G.M.G. Hink