14. 5308 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
22 juli 2014, 13/5819 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 16 januari 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [naam gemachtigde] , advocaat (gemachtigde), hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 24 september 2014 is gemachtigde op de hoogte gesteld van de overschrijding van de beroepstermijn zoals is bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij brief van 20 oktober 2014 heeft gemachtigde meegedeeld wat de reden van de overschrijding is geweest.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.
De Raad heeft het onderzoek heropend.
Gemachtigde heeft desgevraagd nadere vragen van de Raad beantwoord en daarbij − ter onderbouwing van zijn standpunt − nadere stukken in het geding gebracht.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van hun recht om op een (nadere) zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
1. De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is te achten als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Daartoe zijn gemachtigde bij brief van 7 april 2016 de volgende vragen gesteld:
2. Bij brief van 21 april 2016 heeft gemachtigde als volgt op die vragen geantwoord:
3. Bij brief van 7 juli 2017 heeft gemachtigde aanvullende informatie ingezonden bestaande uit een gedeeltelijke weergave van een op een Cd-rom opgenomen gesprek met zijn behandelaar dr. Leibsch. Desgevraagd heeft gemachtigde bij brief van 4 augustus 2017 een aantal exemplaren van de Cd-rom ingebracht en in die brief vermeld dat volgens zijn specialist sprake was van een “very high dose” en dat dit allerlei “side-effects” kan hebben. Volgens gemachtigde is uit de wav-opnames af te leiden dat het normaal is dat men nog niet goed functioneert qua energie, concentratie en geheugen na een zware bestralingsperiode. Gemachtigde heeft verwezen naar een artikel uit “Surgical Neurology International” waarin zijn unieke casus wordt beschreven en waaruit blijkt dat het zeer aannemelijk is dat zijn niet-tijdig reageren is veroorzaakt door zijn ziekte en de bijbehorende zware behandelingen.
4. De Raad kan, met alle begrip voor de ernstige ziekte en moeilijke omstandigheden waarin gemachtigde in september 2014 heeft verkeerd, op grond van de door hem gegeven beantwoording van de vragen en de nader ingebrachte informatie van zijn behandelend specialist, niet tot het oordeel komen dat gemachtigde binnen de termijn niet in staat is geweest hoger beroep in te stellen. De geluidsopname van de Cd-rom biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten en de behandelaar concludeert niet zelf dat gemachtigde niet in staat was adequaat te reageren. Gemachtigde geeft ook zelf aan dat hij na zijn terugkeer uit de Verenigde Staten geen directe overmatige hinder had van de behandeling. Hij heeft ook, na ontvangst van de uitspraak van de rechtbank, genoteerd dat hij in ieder geval op
26 augustus 2014 een (voorlopig) beroepschrift moest indienen. In een geval als dit, waarbij sprake is van langdurige behandeling in het buitenland wegens een ernstige aandoening, waarbij ook complicaties of gevolgproblemen kunnen ontstaan, dient in zijn algemeenheid een advocaat ook tijdig maatregelen te nemen teneinde de normale voortgang van de kantoorwerkzaamheden te waarborgen.
5. Ook anderszins zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
6. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) P. Boer
md