18. 5757 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 september 2018, 17/6629 WAO (ECLI:NL:CRVB:2018:2966)
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats], Turkije (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 juni 2019
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad van 26 september 2018, 17/6629 WAO.
Het Uwv heeft gemeld geen op- of aanmerkingen te hebben ten aanzien van dit verzoek.
Het verzoek is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 17 mei 2019. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Bij uitspraak van 7 september 2017, 17/2876, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van verzoeker tegen een beslissing op bezwaar van 13 april 2017 ongegrond verklaard. Bij die beslissing op bezwaar is vastgesteld dat verzoeker onvoldoende gegevens heeft overgelegd om zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met arbeidsongeschiktheid vanaf 15 november 1989 te beoordelen.
Bij uitspraak van 26 september 2018, de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd.
Verzoeker heeft bij brief van 30 oktober 2018 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 september 2018.
2. Verzoeker heeft in zijn verzoek vermeld dat hij al lang in het ziekenhuis verblijft en dat zijn leven niet goed is. In aanvullende brieven heeft hij verzocht om een nieuwe beslissing. Voorts heeft hij vermeld naar Nederland te komen voor een paspoort en een visum.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoeker enig feit of enige omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht. De stelling van verzoeker dat hij in het ziekenhuis verblijft en dat zijn leven niet goed is, is daarvoor onvoldoende. Die stelling is niet onderbouwd en heeft geen betrekking op de situatie in 1989 toen verzoeker – naar hij stelt – ziek is geworden.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van
W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2019.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) W.M. Swinkels