17. 6655 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2017, 16/6690 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 16 september 2019
Zitting heeft: W.H. Bel
Griffier: M. Buur
Appellante is ter zitting verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. In het hoger beroep van het college ligt de vraag voor of de rechtbank het college terecht heeft veroordeeld tot de betaling van een dwangsom van € 1.260,- als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag van 4 maart 2015. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene het college onredelijk laat in gebreke heeft gesteld.
2. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 6, blz. 13) is over de ingebrekestelling onder meer vermeld dat wat onredelijk laat is, niet in zijn algemeenheid kan worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan.
3. Het college heeft terecht aangevoerd dat betrokkene hem onredelijk laat in gebreke heeft gesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn voor het beslissen op de aanvraag eindigde op 30 april 2015. Het tijdsverloop van 30 april 2015 tot het moment waarop betrokkene het college op 11 juli 2016 in gebreke heeft gesteld, is ruim veertien maanden. Dat is aanzienlijk langer dan het in de wetsgeschiedenis genoemde tijdsverloop van ‘hooguit enkele weken’. Niet is gebleken dat betrokkene ná het verstrijken van de beslistermijn en vóór juli 2016 op enig moment over het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag in contact is getreden met het college. Betrokkene heeft dit weliswaar gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens. De door de rechtbank vermelde omstandigheden, waaronder het feit dat het college ten tijde van de behandeling van het beroep bij de rechtbank op 13 juli 2017 nog steeds niet op de aanvraag had beslist, zijn niet van belang voor de vraag of betrokkene het college op 11 juli 2016 onredelijk laat in gebreke heeft gesteld. Deze omstandigheden hebben namelijk grotendeels betrekking op de periode ná de ingebrekestelling. Het hoger beroep slaagt dus. Voor toewijzing van het verzoek van betrokkene om veroordeling tot vergoeding van schade is gelet hierop geen grond aanwezig.
4. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) M. Buur (getekend) W.H. Bel