18. 6532 AW-PV
Datum uitspraak: 31 oktober 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 november 2018, 17/7662 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Zitting heeft: C.H. Bangma, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: F. Demiroğlu
Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L. Dijkstra en mr. E. Hollink. Namens betrokkene is dr. L.J. Stal verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 november 2017 ongegrond.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 7 november 2017 (bestreden besluit), heeft het college besloten om betrokkene niet in aanmerking te brengen voor de functie waarvoor zij haar belangstelling kenbaar heeft gemaakt. Betrokkene is afgewezen voor de functie omdat een andere kandidaat meer ervaring had met de toepassing en het instrueren van een bepaalde [vaktechnische] techniek, namelijk het werken met [materiaal] .
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd wegens een motiveringsgebrek en het college opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
De beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure zoals hier aan de orde is het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Zij is in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 25 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2498.
Op de genoemde functie heeft naast betrokkene nog een kandidaat gesolliciteerd. Dat betekent dat het college keuzevrijheid had ten aanzien van de kandidaten. Dat neemt niet weg dat een bestuursorgaan in een geval als dit wel enig inzicht moet bieden en moet onderbouwen waarom de keuze niet op betrokkene is gevallen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3533.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit. Het college heeft met de motivering in het bestreden besluit voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de keuze niet op betrokkene, maar op de andere kandidaat is gevallen. In de functie-eisen is het werken met [vaktechnische] technieken opgenomen. Het werken met [materiaal] valt hieronder. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college in zijn beoordeling heeft mogen meewegen dat betrokkene hiermee minder ervaring had dan de andere kandidaat. De beslissing is dan ook het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Nu het college tevens inzichtelijk heeft gemaakt waarom de andere kandidaat meer geschikt was voor de functie, is de conclusie dat het college in redelijkheid heeft mogen oordelen om betrokkene niet in aanmerking te brengen voor de functie. Het hoger beroep van het college slaagt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F. Demiroğlu (getekend) C.H. Bangma