ECLI:NL:CRVB:2019:3660

ECLI:NL:CRVB:2019:3660, Centrale Raad van Beroep, 19-11-2019, 18/4999 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 19-11-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/4999 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0013060 BWBR0015703

Samenvatting

Afgewezen aanvraag. Appellant heeft niet aangetoond dat hij niet langer de beschikking had over vermogen boven de vermogensgrens omdat hij het opgenomen bedrag van € 30.000,- heeft gebruikt om leningen af te lossen.

Uitspraak

18 4999 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 19 november 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

3 augustus 2018, 18/1555 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2019. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.S. Teunissen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving geruime tijd bijstand.

Bij brieven van 21 juni 2017 en 25 juni 2017 heeft appellant aan het college gemeld dat hij een erfenis zal ontvangen van zijn vader die [in] 2017 is overleden. Op 30 juni 2017 heeft appellant een bedrag van € 47.250,- uit de nalatenschap van zijn vader ontvangen. Appellant heeft op dezelfde dag een bedrag van € 40.000,- overgemaakt naar zijn spaarrekening. Vervolgens heeft hij binnen een maand tijd meer dan € 30.000,- opgenomen. Daarnaast heeft appellant de auto van zijn vader op zijn naam gesteld.

Bij besluit van 11 september 2017 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 3 april 2017 ingetrokken en de over de periode van 3 april 2017 tot en met

31 juli 2017 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.770,90 van appellant teruggevorderd.

Appellant heeft zich op 18 september 2017 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op 27 september 2017 heeft appellant de aanvraag ingediend. Op 17 oktober 2017 heeft appellant op verzoek van het college een verklaring opgesteld van de besteding van de opgenomen geldbedragen met een kopie van de verkoop van de auto en verklaringen van terugbetaling van leningen tot een totaal bedrag van € 5.180,-. Bij besluit van 30 oktober 2017 (besluit 2) heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan de intrekking ligt ten grondslag dat met ingang van 2 april 2017, met de ontvangst van de erfenis, de voor appellant geldende vermogensgrens is overschreden. Aan de afwijzing van de aanvraag om bijstand legt het college ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert, omdat hij op het moment van de aanvraag, rekening houdende met de door hem aannemelijk gemaakte kosten, vrijelijk kon beschikken over een bedrag van € 32.743,56 en niet verifieerbaar inzichtelijk heeft gemaakt waar hij dit bedrag aan heeft uitgegeven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

Ter zitting van de Raad is gebleken dat de intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 3 april 2017 en de terugvordering over de periode van 3 april 2017 tot en met

31 juli 2017 van de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.770 niet meer in geschil zijn.

Aanvraag

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college de aanvraag om bijstand met ingang van de meldingsdatum, 18 september 2017, terecht heeft afgewezen. De te beoordelen periode loopt van 18 september 2017 tot en met 30 oktober 2017.

Appellant heeft aangevoerd dat hij van de erfenis van zijn vader schulden aan derden heeft afbetaald en daarom niet meer de beschikking had over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens. Deze beroepsgrond kan niet slagen.

Bij een aanvraag om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager is onder meer verplicht juiste en volledige informatie over zijn financiële situatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Voorts volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB dat in een geval waarin een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere beëindiging of intrekking van de bijstand of een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag, het op de weg van de aanvrager ligt om aan te tonen dat zich sinds die beëindiging, intrekking of afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan. In die zin dat op dat latere tijdstip wel voldaan wordt aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1890.

Appellant heeft niet met verifieerbare gegevens aangetoond dat hij niet langer de beschikking had over een vermogen boven de vermogensgrens, omdat hij het opgenomen bedrag van meer dan € 30.000,- heeft gebruikt om leningen af te lossen. De verklaring van

17 oktober 2017, waarin appellant stelt dat hij in de afgelopen zeven maanden € 5.000,- boven de bijstandsnorm heeft geleefd en dat hij € 25.000,- heeft terugbetaald aan veertien mensen die geld aan hem hebben geleend in de periode dat hij dakloos was, heeft appellant niet onderbouwd.

Appellant heeft in hoger beroep bankafschriften overgelegd en stelt zich op het standpunt dat uit deze bankafschriften blijkt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

Deze beroepsgrond kan niet slagen. De bankafschriften zien op de periode van 13 maart 2018 tot en met 4 april 2018 en vallen daarmee buiten te beoordelen periode.

Uit het voorgaande volgt dat appellant zijn financiële situatie ten tijde van de aanvraag en in de te beoordelen periode niet inzichtelijk heeft gemaakt, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag dan ook op goede gronden afgewezen.

Gelet op 4.7 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Verzoek om veroordeling tot schadevergoeding

Wat onder 4.8 is overwogen brengt mee dat voor een veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente geen grond aanwezig is.

Redelijke termijn

Ter zitting van de Raad heeft appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Appellant heeft aangevoerd dat hij negentien maanden in onzekerheid heeft moeten leven en heeft moeten procederen voor zijn primaire levensvoorziening.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.

5.3.Voor de wijze van beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verwezen naar de uitspraak van

26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hieruit volgt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt op het moment waarop de Raad uitspraak heeft gedaan.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 6 december 2017 tot de uitspraak van de Raad zijn een jaar en ruim elf maanden verstreken. Appellant heeft voor het eerst in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3562, heeft overwogen, heeft in een zodanig geval te gelden dat de vraag of die termijn is overschreden door de Raad moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Dit betekent dat de redelijke termijn van vier jaar niet is overschreden.

5.5.Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat gelet op het voorgaande geen grond.

Slotoverweging

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2019.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) L. Hagendijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2019/292
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?