17. 7684 WIA – hoger beroep
In geschil is de vraag of het Uwv de WGA-uitkering van werkneemster terecht aan [vereniging 1] heeft toegerekend. Geen geschil bestaat over de vraag of sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 van het BW met de overdracht van het [lyceum] van [vereniging 1] naar [stichting]. Partijen zijn het erover eens dat de overdracht van het [lyceum], tot dat moment onderdeel van de onderneming van [vereniging 1], een overdracht is geweest van een haar identiteit behoudende economische eenheid in de zin van dat artikel. Zij verschillen van mening over de vraag of daarmee vaststaat dat geen sprake is van een situatie dat slechts een deel van de onderneming is overgegaan, als bedoeld in artikel 84, vijfde lid, van de Wet WIA.
Zoals het Uwv terecht naar voren heeft gebracht, kan het sociale verzekeringsrecht niet op een lijn worden gesteld met het arbeidsrecht en is de keuze van [vereniging 1] om ERD te worden gebaseerd op de sociale verzekeringswetgeving. Uit artikel 7:662 van het BW volgt niet de wijze van toerekening van uitkeringslasten. Daarom is voor de toerekening van een
WGA-uitkering niet alleen bepalend of bij overgang van een zelfstandige economische eenheid in civielrechtelijke zin sprake is van overgang van een onderneming, maar ook de vraag of sprake is van overgang van een deel van de onderneming in sociaalverzekeringsrechtelijke zin. Die laatste vraag moet worden beantwoord in het kader van artikel 84, vijfde lid, van de Wet WIA. Mede gelet op de wetsgeschiedenis heeft het Uwv terecht gesteld dat die vraag beantwoord moet worden vanuit het perspectief van de overdragende werkgever. Daarbij moet gelet op de begripsbepaling in artikel 1 van de
Wet WIA onder werkgever worden verstaan de werkgever in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen. In het geval van de overdracht van het [lyceum] is [vereniging 1] die werkgever.
De eerste ziektedag van werkneemster is gelegen in de periode dat het [lyceum] onderdeel was van [vereniging 1] in de zin van artikel 7:662 van het BW. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 75b, achtste lid, van de WAO, zoals dat op de datum in geding was overgenomen in artikel 84, vijfde lid van de Wet WIA, volgt dat de betaling van de WGA-uitkering in beginsel bij [vereniging 1], zijnde de overdragende werkgever als in de laatste volzin van 4.7 omschreven, diende te blijven. Dat leidt ertoe dat het begrip ‘deel’ in artikel 84, vijfde lid, van de Wet WIA, zoals geldend op de datum in geding, niet samenvalt met het begrip ‘onderdeel’ in artikel 7:662 van het BW.
Met de overgang van het [lyceum] van [vereniging 1] naar [stichting] is een deel van de onderneming [vereniging 1], namelijk één school, overgegaan. [vereniging 1] is bij de overdracht van het [lyceum] voor het overige, namelijk als onderneming met nog andere scholen, blijven bestaan. Daarom is, anders dan de Raad heeft overwogen in zijn onder 2.2 genoemde uitspraak van 11 november 2016, sprake van de overgang van een deel van de onderneming, als bedoeld in
artikel 84, vijfde lid, van de Wet WIA, zoals geldend op de datum in geding. Hiermee is gegeven dat het Uwv de WGA-uitkering van werkneemster terecht aan [vereniging 1] heeft toegerekend.
Uit 4.7 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.
18. 4076 WIA – incidenteel hoger beroep
De aanleiding voor het instellen van incidenteel hoger beroep moet zijn gelegen in het door een andere partij ingestelde hoger beroep (het principaal hoger beroep). Dit volgt uit artikel 8:110, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In die bepaling is het aanvangen van de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep afhankelijk gesteld van het moment van verzending van de gronden van het principaal hoger beroep door de hoger beroepsrechter (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:681). Het incidenteel hoger beroep is niet bedoeld om een partij, die door de uitspraak van de rechtbank in een nadeliger positie is geraakt en zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, alsnog een beroepstermijn te gunnen
(zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2912). Het incidenteel hogerberoepschrift van [stichting] moet worden aangemerkt als een principaal hogerberoepschrift. Het is ingediend na afloop van de termijn van artikel 6:7 van de Awb. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [stichting] in verzuim is geweest. Het hoger beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep van [stichting] niet-ontvankelijk;
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en E.W. Akkerman en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2019.
(getekend) M. Greebe
(getekend) R.H. Koopman
VC