17. 5464 AOW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 juni 2017, 16/4923 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] te Duitsland (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 10 december 2019
Zitting heeft: W.H. Bel
Griffier: I.A. Siskina
Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontving vanaf 24 november 2012 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Hij is op 16 juni 2016 gehuwd. Bij besluit van 23 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 oktober 2016 (bestreden besluit), heeft de Svb naar aanleiding van het huwelijk het AOW-pensioen van appellant per 1 juli 2016 gewijzigd naar een pensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Tussen partijen is in geschil of de Svb het ouderdomspensioen van appellant per 1 juli 2016 terecht heeft omgezet naar een gehuwdenpensioen. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat dit ten onrechte is gebeurd, omdat hij weliswaar was gehuwd maar niet ging samenwonen met zijn echtgenote. Zij bewoonden ieder een eigen woning en er was geen sprake van het delen van de kosten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4. De AOW kent een ouderdomspensioen voor een gehuwde en voor een ongehuwde. Als gehuwde heeft appellant slechts aanspraak op een AOW-pensioen voor een ongehuwde, indien hij en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Het gegeven dat appellant en zijn echtgenote hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning is niet voldoende om duurzaam gescheiden leven aan te nemen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932) kan de echtelijke samenleving bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. De motieven op grond waarvan de echtelijke samenleving niet, nog niet, niet langer of niet opnieuw is verbroken, zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven niet relevant (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277).
5. Appellant heeft aangevoerd dat de toepassing van de wettelijke regeling in zijn geval onbillijk uitpakt. Die beroepsgrond slaagt niet. Het staat de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.
6. Het hoger beroep slaagt niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) I.A. Siskina (getekend) W.H. Bel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.