ECLI:NL:CRVB:2019:4282

ECLI:NL:CRVB:2019:4282, Centrale Raad van Beroep, 19-12-2019, 16/6348 ANW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 19-12-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 16/6348 ANW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 7 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002221 BWBR0005537 BWBR0035917

Samenvatting

Herhaalde aanvraag. Weigering om terug te komen van. De echtgenoot van appellante kan niet meer als ingezetene van Nederland worden aangemerkt.

Uitspraak

16. 6348 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

1 september 2016, 16/1752 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 19 december 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.K.S. Verhoek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhoek. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K. Verbeek.

Het onderzoek is heropend na de zitting. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 november 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhoek. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Verbeek.

OVERWEGINGEN

Appellante heeft in verband met het overlijden van haar echtgenoot [in] 2012 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Bij besluit van 8 december 2014 heeft de Svb deze aanvraag afgewezen, omdat de echtgenoot van appellante op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

Op 15 juni 2015 heeft appellante opnieuw verzocht om haar een nabestaandenuitkering toe te kennen. Op deze aanvraag heeft de Svb bij besluit van 29 juni 2015 afwijzend beslist onder verwijzing naar het besluit van 8 december 2014. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 9 februari 2016 (bestreden besluit) door de Svb ongegrond verklaard. Daarbij is, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het daarop gebaseerde beleid van de Svb, overwogen dat er geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 8 december 2014 omdat de echtgenoot van appellante op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante aan haar aanvraag geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. Tevens is het besluit van 8 december 2014 niet aan te merken als een onmiskenbaar onjuist besluit. Voor de periode na de aanvraag van 15 juni 2015 is overwogen dat niet is gebleken dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden verzekerd was voor de ANW.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar echtgenoot op zijn overlijdensdatum ingezetene was van Nederland en om die reden verzekerd was voor de ANW. Het feit dat hij in Marokko gedetineerd was, waardoor hij langdurig niet in Nederland verbleef, mag niet voor zijn rekening en risico komen. Haar echtgenoot heeft nimmer de intentie gehad om zich in Marokko te vestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aanvraag van appellante van 15 juni 2015 is een herhaling van de aanvraag waarop de Svb bij besluit van 8 december 2014 heeft beslist. De Svb heeft op de aanvraag van 15 juni 2015 beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

De door appellante gestelde aanspraak op een nabestaandenuitkering betreft een geschil over een zogenoemde duuraanspraak. Dit betekent dat ingevolge vaste rechtspraak van de Raad bij de toetsing van het bestreden besluit een onderscheid gemaakt moet worden tussen het verleden en de toekomst (ECLI:NL:CRVB:2012:BW8262). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115). Wat betreft de periode na het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen.

Tussen partijen is uitsluitend in geding de afwijzing van de aanvraag voor zover deze ziet op de periode na de aanvraag. In dat kader is in geschil of appellantes echtgenoot op 22 augustus 2012 als ingezetene verzekerd was ingevolge de ANW.

In artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de ANW is bepaald dat verzekerd is krachtens die wet degene die ingezetene is. Ingevolge artikel 6 van de ANW is ingezetene degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 7, eerste lid, van de ANW naar de omstandigheden beoordeeld.

In zijn arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad in herinnering geroepen dat om te bepalen waar iemand woont, acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt (zie in die zin ook de uitspraak van de Raad van

17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908).

In het kader van deze beoordeling is van belang dat de echtgenoot van appellante, die de Marokkaanse nationaliteit bezat, kort na 1977 naar Nederland is gekomen, hier heeft gewoond en gewerkt en een gezin heeft gesticht. Verder is gebleken dat hij in 2006 in Marokko is gehuwd met een andere vrouw met wie hij op 7 augustus 2007 een kind heeft gekregen. Uit Suwinet is gebleken dat de echtgenoot van appellante per 3 juni 2008 vanwege emigratie is uitgeschreven uit de basisregistratie personen. Volgens appellante is haar echtgenoot medio 2007 op vakantie naar Marokko gegaan en is hij kort daarop veroordeeld tot een gevangenisstraf. Medio 2012 zou deze detentie beƫindigd zijn en zeer kort daarna is hij in Marokko overleden.

De Svb heeft zich op grond van de onder 4.6 vermelde feiten en omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat de echtgenoot van appellante op 22 augustus 2012 niet meer als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Hij verbleef op dat moment vijf jaar buiten Nederland, had in Marokko een (tweede) gezin en aannemelijk is dat hij daar beschikte over zelfstandige woonruimte. Er was weliswaar sprake van een gedwongen verblijf in Marokko, maar dit gedwongen verblijf, in samenhang met de specifieke omstandigheden van de echtgenoot, leidt in dit geval tot de conclusie dat sprake was van een verbreking van de duurzame band met Nederland. Gelet op de band die de echtgenoot van appellante met Marokko had, is het niet zonder meer aannemelijk dat hij na zijn detentie zou terugkeren naar Nederland. De enkele stelling van appellante dat hij deze intentie had is niet onderbouwd met objectieve gegevens, terwijl het wel aan haar als aanvrager was om de duurzame band van persoonlijke aard met Nederland aannemelijk te maken.

Uit 4.1 tot en met 4.7 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en A. van Gijzen en

F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?