OVERWEGINGEN
De Raad rectificeert de uitspraak 17/6865 WW als volgt:
In rechtsoverweging 4.7 vervalt de laatste zin, welke luidde: “Totaal: € 29.230,76”.
Rechtsoverweging 4.8 wordt als volgt gewijzigd:
“4.8. Uit 4.7 volgt dat van de in geding zijnde kosten (a tot en met d) voor overname op grond van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komt € 100.193,07. Hierop dient het reeds door Uwv aan appellant betaalde bedrag aan faillissementsuitkering van € 51.234,62 in mindering te worden gebracht, zodat appellant nog recht heeft op betaling van een bedrag van
€ 48.958,45. Deze nabetaling valt uiteen in een bedrag van € 20.753,84 netto (onkosten) en een bedrag van € 28.204,61 bruto (overige bestanddelen).”
Rechtsoverweging 4.9, eerste en tweede volzin, wordt als volgt gewijzigd:
“4.9. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen faillissementsuitkering. Op grond van de artikelen 4:97 en 4:98 van de Awb heeft appellant aanspraak op wettelijke rente over het bedrag van € 48.958,45 (€ 20.753,84 netto en € 28.204,61 bruto), vanaf de datum waarop het Uwv in verzuim is.”
Rechtsoverweging 4.11, eerste en tweede volzin, wordt als volgt gewijzigd:
“4.11. Uit 4.9 en 4.10 volgt dat het Uwv vanaf 6 juni 2016 de wettelijke rente is verschuldigd. Bij de berekening van de wettelijke rente moet worden uitgegaan van het bedrag van € 48.958,45 (€ 20.753,84 netto en € 28.204,61 bruto).”
Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep rectificeert zijn uitspraak van 24 juli 2019, 17/6865 WW, als in de overwegingen weergegeven.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) P. Boer
IvR