ECLI:NL:CRVB:2019:607

ECLI:NL:CRVB:2019:607, Centrale Raad van Beroep, 21-02-2019, 18/4585 AW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 21-02-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/4585 AW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006516 BWBR0006622 BWBR0013060 BWBR0022745 BWBR0036902

Samenvatting

Dienstongeval. Toepassing Regeling smartengeld dienstongevallen politie. Hoogte smartengeld.

Uitspraak

18. 4585 AW

Datum uitspraak: 21 februari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

20 juli 2018, 17/3744 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens de korpschef heeft mr. M.H. ten Have, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft B.O. Vreeswijk een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2019. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ten Have. Voor betrokkene zijn verschenen

B.O. Vreeswijk en mr. V.R. Dekker.

OVERWEGINGEN

Betrokkene is werkzaam bij de politie. Op 31 december 2015 is hij betrokken geweest bij een ongeval. Bij besluit van 15 januari 2016 heeft de korpschef dit ongeval erkend als dienstongeval als bedoeld in artikel 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). De blijvende invaliditeit van betrokkene is vastgesteld op 1%.

Uit de loonstrook van maart 2017 blijkt dat de korpschef, met toepassing van artikel 54a, eerste lid, van het Barp en artikel 3, tweede lid, van de Regeling smartengeld dienstongevallen politie (Regeling) aan betrokkene een bedrag van € 1.593,20 heeft toegekend.

Bij besluit van 17 juli 2017 (bestreden besluit) heeft de korpschef het tegen deze loonstrook gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van maart 2017 herroepen en bepaald dat de korpschef aan betrokkene smartengeld vergoedt tot een bedrag van € 1.615,55 netto. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de hoofdregel in het bestuursrecht is dat het bestuursorgaan het recht toepast dat geldt op het moment dat het besluit - in dit geval het besluit tot betaling van smartengeld in de vorm van de loonstrook van maart 2017 - wordt genomen. Nu artikel 54a van het Barp noch de Regeling op deze hoofdregel een uitzondering maken en de polisvoorwaarden van de door de korpschef afgesloten collectieve ongevallenverzekering geen invloed kunnen hebben op de rechtspositie van de ambtenaar, had het bedrag aan smartengeld moeten worden vastgesteld op basis van het in 2017 geldende maximumbedrag van € 161.555,-.

3. In hoger beroep heeft de korpschef zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of het aan betrokkene toegekende bedrag aan smartengeld juist is.

De Raad stelt voorop dat dit smartengeld niet is aan te merken als vergoeding van schade die voortvloeit uit de werkgeversaansprakelijkheid van de korpschef. De aanspraak van betrokkene op smartengeld is een bestuursrechtelijke rechtspositionele aanspraak op grond van artikel 54a van het Barp. Voor de toekenning van smartengeld op grond van artikel 54a van het Barp moet een aanvraag worden ingediend. Op deze aanvraag moet, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in overeenstemming met de in het bestuursrecht geldende hoofdregel worden beslist met toepassing van het recht zoals dat geldt op het moment van beslissen op de aanvraag.

De toelichting op de Regeling biedt geen steun voor de stelling van de korpschef dat bij de toepassing van artikel 54a van het Barp in afwijking van genoemde hoofdregel moet worden uitgegaan van het jaar waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvond. Dat de korpschef bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld als hier bedoeld al sinds 1997 de bestendige gedragslijn had om het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis als uitgangspunt te nemen, maakt het vorenstaande niet anders. Daarbij is van belang dat deze praktijk stamt uit de tijd dat de rechtspositionele aanspraak van artikel 54a van het Barp nog niet in het Barp was opgenomen. Anders dan de korpschef heeft gesteld, geven ook de polisvoorwaarden van de door de korpschef afgesloten collectieve ongevallenverzekering geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze polisvoorwaarden zien immers op de rechtsverhouding tussen de korpschef als verzekeringnemer en de verzekeraar en niet (mede) op de door rechtspositionele voorschriften geregelde rechtsverhouding tussen de korpschef en betrokkene.

Uit 4.3 volgt dat voor de hoogte van het smartengeld moet worden gekeken naar artikel 54a van het Barp zoals dat luidde in maart 2017, ten tijde van de toekenning van het smartengeld. Artikel 54a van het Barp is op 15 december 2017 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 gewijzigd, waarbij het per 1 januari 2017 geldende maximum bedrag van

€ 161.555,- als zodanig is vermeld in het eerste lid. In maart 2017 en ook ten tijde van het bestreden besluit was in het eerste lid van artikel 54a van het Barp bepaald dat smartengeld wordt vergoed tot een netto maximum bedrag van € 150.000,-. In het vijfde lid was bepaald dat dit bedrag per 1 januari van elk kalenderjaar wordt gewijzigd overeenkomstig de consumentenprijsindex. Tussen partijen is niet in geschil dat het aldus geïndexeerde bedrag in maart 2017 € 161.555,- was. Gelet op het percentage van blijvende invaliditeit van betrokkene had de korpschef daarom aan hem een bedrag aan smartengeld van € 1.615,55 moeten toekennen.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.024,-;

- bepaalt dat van de korpschef een griffierecht van € 508,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2019.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) Y. Itkal

md

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2019-0659 TAR 2019/81
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?