17. 5678 PW
Datum uitspraak: 12 maart 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2017, 16/6970 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G. Özveren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2018. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W. Wieringa.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft samen met X van 21 april 2015 tot en met 31 augustus 2015
(periode in geding) bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ontvangen naar de norm voor gehuwden. Het college heeft de bijstand beëindigd omdat appellante in september 2015 had gemeld dat de uitkering die G tot 21 april 2015 krachtens de Ziektewet (ZW) ontving, was hervat.
Om te kunnen beoordelen of appellante in de periode in geding recht op bijstand had, heeft een medewerker van de gemeente Barendrecht op 13 januari 2016 telefonisch contact opgenomen met het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Daaruit kwam naar voren dat naar aanleiding van het bezwaar van X het Uwv de beëindiging van de ZW‑uitkering ongedaan had gemaakt, dat in juli 2015 een betaling had plaatsgevonden over de periode van december 2014 tot en met juli 2015 en dat daarna de ZW‑uitkering weer was hervat.
Bij besluit van 15 januari 2016 heeft het college de bijstand van appellante en X met ingang van 21 april 2015 ingetrokken en de over de periode in geding gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.993,08 netto van appellante en X teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante en X geen recht hebben op bijstand omdat X vanaf die datum een ZW-uitkering ontvangt. Bij besluit van 1 juni 2016 heeft het college het terugvorderingsbedrag gewijzigd in € 5.211,63 netto.
Bij besluit van 14 september 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 15 januari 2016 en 1 juni 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat achteraf is komen vast te staan dat de ZW‑uitkering van X met terugwerkende kracht vanaf 21 april 2015 is hervat. Appellante heeft dit tijdig gemeld. Omdat sprake is van een passende en toereikende aan de bijstand voorliggende voorziening voor de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, bestond op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW voor appellante en X over de periode in geding geen recht op bijstand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover relevant, het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder het college moet worden gelezen:
“3.1. Een ziektewetuitkering moet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Pw. Gelet hierop bestond er, nu de ziektewetuitkering van (…) was hervat per 21 april 2015, vanaf dat moment geen recht op bijstand. Verweerder heeft dan ook terecht het recht op bijstand ingetrokken met terugwerkende kracht tot 21 april 2015 en was bevoegd de uitkering die is uitbetaald over de periode 21 april 2015 tot en met 31 augustus 2015 terug te vorderen op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. Dat eiseres, zoals zij betoogt, de nabetaling van de ziektewetuitkering direct heeft gemeld aan de klantmanager en dat zij niet op de hoogte was van het feit dat de maandelijkse uitbetaling van de bijstandsuitkering niet was stopgezet doet aan het voorgaande niet af.
4. De beroepsgrond dat er dringende redenen aanwezig zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van het terugvorderen van de bijstandsuitkering, faalt eveneens. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd welke onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen de terugvordering voor eiseres heeft. Dat eiseres, zoals eiseres op de hoorzitting van 13 januari 2016 heeft verklaard, zij niet over de ziektewetuitkering heeft kunnen beschikken omdat (…) het geld heeft uitgegeven is daartoe onvoldoende.”
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante voert, evenals in beroep, aan dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat zij door de psychische situatie van haar partner niet wist dat haar gezin tegelijkertijd een ZW‑uitkering en bijstand ontving. Evenals in beroep voert appellante voorts aan dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering omdat zij als gevolg van de terugvordering haar vaste lasten niet meer zal kunnen voldoen. In dat kader voert appellante in hoger beroep tevens aan dat het college geen redelijke belangenafweging heeft verricht omdat het college de financiële consequenties die de terugvordering voor appellante heeft niet nader heeft onderzocht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de door haar aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, lag het niet op de weg van het college om nader onderzoek te doen naar de financiële consequenties die de terugvordering voor haar heeft, maar lag het op de weg van appellante zelf om een en ander nader te onderbouwen. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952) dient degene die zich beroept op de uitzonderingssituatie dat dringende redenen aanwezig zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, het bestaan daarvan aannemelijk te maken.
De beroepsgrond dat appellante de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, kan niet slagen, reeds omdat het college in het bestreden besluit heeft erkend dat appellante de relevante informatie tijdig heeft verstrekt.
Uit 4.1 tot en met 4.1.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019.
(getekend) E.C.R. Schut
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
rh