ECLI:NL:CRVB:2020:143

ECLI:NL:CRVB:2020:143, Centrale Raad van Beroep, 23-01-2020, 18/819 AOW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 23-01-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/819 AOW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002221 BWBR0005537

Samenvatting

De vermelding in een pensioenoverzicht van een datum waarop een verzekerde naar verwachting de pensioengerechtigde leeftijd bereikt is niet op rechtsgevolg gericht, zodat daartegen niet kan worden opgekomen. De verschuiving van de aanvangsleeftijd van de verzekering voor de AOW, die het gevolg is van de inwerkingtreding van artikel 7a van de AOW, leidt in het algemeen niet tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en evenmin is sprake van schending van de verdragsrechtelijke discriminatieverboden. Hoger beroep appellante slaagt niet.

Uitspraak

18. 819 AOW

Datum uitspraak: 23 januari 2020.

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2018, 17/2263 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Frankrijk (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en heeft de Raad verzocht om de Svb te veroordelen tot vergoeding van schade.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben aanvullende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN

Bij brief van 10 januari 2017 heeft de Svb aan appellante, die is geboren op [dd-mm] 1954, een pensioenoverzicht gestuurd. Hierop is vermeld dat appellante, uitgaande van de toenmalige stand van de wetgeving, vanaf [dd-mm] 2021 in aanmerking kan komen voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en dat zij, voor de toepassing van die wet, over het tijdvak [dd-mm] 1971 tot en met 13 januari 2016 verzekerd wordt geacht.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het onder 1.1 aangeduide pensioenoverzicht, voor zover bij dit overzicht is bepaald dat zij pas vanaf [dd-mm] 2021 – en niet vanaf 1 mei 2019 – in aanmerking kan komen voor een ouderdomspensioen, en voor zover zij bij dit overzicht niet verzekerd is geacht van [dd-mm] 1969 tot [dd-mm] 1971.

Bij besluit van 15 maart 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk geacht, voor zover het is gericht tegen de in het pensioenoverzicht vermelde datum waarop appellante naar de toenmalige verwachting de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Voor het overige heeft de Svb het bezwaar van appellante bij het bestreden besluit ongegrond geacht. In het bestreden besluit heeft de Svb verwezen naar artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel ten tijde van belang luidde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen. Daartoe heeft appellante in essentie hetzelfde aangevoerd als haar echtgenoot heeft aangevoerd in het hoger beroep met het registratienummer 15/3910 AOW, waarop de Raad heeft beslist bij uitspraak van 25 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4507.

De Svb heeft de Raad verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Evenals het hoger beroep waarop de Raad in deze uitspraak beslist, heeft het hoger beroep met het registratienummer 15/3910 AOW betrekking op een pensioenoverzicht dat is opgesteld op basis van het bepaalde in artikel 7a van de AOW, zoals dat artikel ten tijde van belang luidde.

In zijn uitspraak van 25 november 2016 heeft de Raad het hoger beroep van de echtgenoot van appellante verworpen. Daartoe is overwogen dat – sterk verkort weergegeven – een pensioenoverzicht slechts een besluit is waartegen in rechte kan worden opgekomen voor zover het gaat om de rechtsvaststelling van de op dat moment verzekerde tijdvakken en de genoemde aanvangsleeftijd als begin van de opbouwperiode. De vermelding in een pensioenoverzicht van een datum waarop een verzekerde naar verwachting de pensioengerechtigde leeftijd bereikt is niet op rechtsgevolg gericht, zodat daartegen niet kan worden opgekomen. Verder is overwogen dat de verschuiving van de aanvangsleeftijd van de verzekering voor de AOW, die het gevolg is van de inwerkingtreding van artikel 7a van de AOW, in het algemeen niet leidt tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en dat evenmin sprake is van schending van de verdragsrechtelijke discriminatieverboden. Of er in individuele gevallen sprake is van een verdragsschending doordat sommige rechthebbenden mogelijk een onevenredig zware last dragen bij onverkorte toepassing van artikel 7a van de AOW, kan alleen goed en van geval tot geval worden beoordeeld in het kader van de besluitvorming die betrekking heeft op de ingangsdatum van ouderdomspensioenen op grond van de AOW en de toekenning van deze pensioenen. Dit is in de situatie van appellante niet anders. De Raad ziet daarom geen reden om in de zaak van appellante anders te oordelen dan in de zaak van haar echtgenoot.

5. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent eveneens dat afwijzend moet worden beslist op het verzoek van appellante om de Svb in dit geding te veroordelen tot vergoeding van schade.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2020.

(getekend) A. van Gijzen

(getekend) B.V.K. de Louw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ABkort 2020/69 NJB 2020/309
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?