18. 5314 PW
Datum uitspraak: 21 juli 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 4 oktober 2018, 18/189 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft W. de Boer hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt vanaf 1 oktober 2016 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 19 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 december 2017 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW de over de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 721,- van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante over het jaar 2016 een belastingteruggave van € 721,- heeft ontvangen en dat die teruggave volledig betrekking heeft op de periode van bijstandverlening.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen beschikt of kan beschikken. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend als de betrokkene al op een eerder tijdstip over de naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand.
In artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de PW is bepaald dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge de derde volzin behoort in elk geval tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Volgens appellante is het bedrag van de terugvordering onjuist berekend. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat zij van 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 bijstand heeft ontvangen en dat de belastingteruggave over het belastingjaar 2016 ten onrechte volledig is toegerekend aan deze periode van bijstandsverlening. Volgens appellante moet worden teruggevorderd naar rato van het aantal maanden waarin bijstand is ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Vast staat dat appellante in 2016 uitsluitend bijstand heeft ontvangen tot een bedrag van € 3.505,- en dat zij in dat jaar geen andere inkomsten heeft genoten. Vast staat ook dat appellante op 25 augustus 2017 over het belastingjaar 2016 een belastingteruggave heeft ontvangen van € 721,- aan loonheffingen. Niet in geschil is dat deze teruggave uitsluitend ziet op de algemene heffingskorting. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de teruggave volledig is toe te rekenen aan de bijstand die aan appellante over de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 is verstrekt en dat het college de teruggave als naderhand verkregen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW van appellante heeft mogen terugvorderen. Er was immers geen ander inkomen in verband waarmee aanspraak kon worden gemaakt op de algemene heffingskorting.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2020.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) S.H.H. Slaats